Uitspraak
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
1.De procedure
UTR 17/1467 AW/V138,
Rechtbank Midden-Nederland
Verzoekster diende een wrakingsverzoek in tegen een rechter die eerder een voorlopige voorziening in een disciplinaire zaak had behandeld, waarbij zij meende dat deze rechter niet onpartijdig kon zijn in de beroepsprocedure over dezelfde ontslagbesluiten. De rechter had in de voorlopige voorziening reeds geoordeeld over de rechtmatigheid van het voorwaardelijk en onvoorwaardelijk ontslag, wat verweerder ook in het verweerschrift aanhaalde.
De rechter stelde dat verzoekster het wrakingsverzoek niet tijdig had ingediend, omdat zij al bij eerdere communicatie op de hoogte had kunnen zijn van de betrokkenheid van dezelfde rechter. Tevens betoogde de rechter dat haar voorlopige oordeel niet belemmerde dat zij onpartijdig de beroepsprocedure zou behandelen, waarin een uitgebreider feitenonderzoek mogelijk is.
De wrakingskamer oordeelde dat verzoekster het wrakingsverzoek tijdig had ingediend, gelet op de omvang van het dossier en het moment waarop de advocaat daadwerkelijk bekend werd met de betrokkenheid van de rechter. Vervolgens werd overwogen dat de enkele eerdere betrokkenheid van de rechter bij een voorlopige voorziening onvoldoende is om partijdigheid aan te nemen, tenzij bijzondere omstandigheden dit rechtvaardigen.
De wrakingskamer stelde dat de rechter professioneel geacht moet worden haar rol in de voorlopige voorziening te kunnen scheiden van haar rol in de beroepsprocedure. Er waren geen aanwijzingen dat de rechter niet onpartijdig zou zijn. Daarom werd het wrakingsverzoek ongegrond verklaard en de procedures voortgezet in de stand waarin zij zich bevonden ten tijde van de schorsing.
Uitkomst: Het wrakingsverzoek tegen de rechter is ongegrond verklaard en de procedures worden voortgezet.