Uitspraak
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
1.De procedure
- de rolbeslissing van 26 oktober 2016,
- het arrest van het Gerechtshof Arnhem Leeuwarden van 27 juni 2017,
- de conclusie na arrest van [eiser] ,
- het verzoek van [eiser] om vonnis te wijzen.
Rechtbank Midden-Nederland
De zaak betreft een zelfstandige zonder personeel (zzp'er) die een vordering instelde tegen zijn opdrachtgever, een besloten vennootschap, wegens het niet afsluiten van een inzittendenschadeverzekering voor een bedrijfsauto die hij gebruikte bij de uitvoering van zijn werkzaamheden. De zzp'er had een eenzijdig ongeval met deze bedrijfsauto, waarbij hij gewond raakte en schade leed.
De zzp'er baseerde zijn vordering op een analoge toepassing van artikel 7:611 BW Pro, dat een werkgeverszorgplicht tot het afsluiten van een behoorlijke verzekering voorschrijft, en op artikel 7:658 lid 4 BW Pro, dat de zorgplicht van de werkgever uitbreidt naar situaties waarin een werknemer bij een derde partij werkt. Hij stelde dat de opdrachtgever aansprakelijk is voor de schade die hij als zzp'er heeft geleden.
De rechtbank oordeelde echter dat artikel 7:611 BW Pro niet van toepassing is op de verhouding tussen opdrachtgever en zelfstandige ondernemer, en dat analoge toepassing hiervan niet gerechtvaardigd is zonder wettelijke basis. Ook de redelijkheid en billijkheid op grond van artikel 6:248 BW Pro boden geen grond voor aansprakelijkheid. De rechtbank stelde vast dat de zzp'er niet verplicht was de bedrijfsauto van de opdrachtgever te gebruiken en dat het gebruik hiervan niet gelijkgesteld kan worden aan een arbeidsrelatie.
Daarom werd de vordering afgewezen en werd de zzp'er veroordeeld in de proceskosten van de opdrachtgever.
Uitkomst: De rechtbank wijst de vordering van de zzp'er af en veroordeelt hem in de proceskosten van de opdrachtgever.