Uitspraak
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
1.De procedure
2.De feiten
3.Het geschil
4.De beoordeling
5.De beslissing
woensdag 13 september 2017teneinde Q-Park in de gelegenheid te stellen bij akte aan te geven op welke wijze zij bewijs wil leveren;
Rechtbank Midden-Nederland
Q-Park exploiteert een parkeergarage in Ede en stelt dat gedaagde met zijn scooter de garage is binnen- en zonder betaling weer is uitgegaan, waarbij sprake zou zijn van 'treintje rijden'. Q-Park vordert betaling van € 337,50 wegens het niet voldoen van parkeergeld en aanvullende schadevergoeding op grond van haar algemene voorwaarden.
Gedaagde betwist de overeenkomst en stelt dat hij de garage slechts is ingereden om te keren na een verkeerde afslag, zonder dat hij daadwerkelijk wilde parkeren of een overeenkomst wilde sluiten. Hij ontkent dat sprake is van 'treintje rijden' en voert aan dat hij buiten gratis had kunnen parkeren.
De rechtbank oordeelt dat de toegang tot de garage onder de algemene voorwaarden valt en dat het feit dat gedaagde zich achter de slagboom begaf, volgens deze voorwaarden duidt op gebruik van de faciliteit en daarmee het ontstaan van een overeenkomst. Echter, de wilsovereenstemming is betwist en volgens artikel 3:33 BW Pro vereist een rechtshandeling een op rechtsgevolg gerichte wil.
De rechtbank wijst Q-Park de bewijsopdracht toe om aan te tonen dat tussen partijen wilsovereenstemming bestond, bijvoorbeeld door camerabeelden te overleggen waaruit blijkt dat gedaagde niet direct weer is vertrokken. De zaak wordt aangehouden en een rolzitting gepland om de bewijslevering te bespreken.
Uitkomst: Bewijsopdracht aan Q-Park om wilsovereenstemming aan te tonen, verdere beslissing aangehouden.