Uitspraak
,
Rechtbank Midden-Nederland
Verzoeker heeft een wrakingsverzoek ingediend tegen de leden van de wrakingskamer in een lopende procedure, naar aanleiding van een gewijzigde samenstelling van de wrakingskamer. De wrakingskamer heeft dit verzoek beoordeeld op grond van artikel 8:15 Awb Pro, dat wraking mogelijk maakt bij feiten of omstandigheden die de rechterlijke onpartijdigheid kunnen schaden.
De wrakingskamer heeft overwogen dat het verzoek kennelijk niet-ontvankelijk is omdat er geen concrete feiten of omstandigheden zijn die het vermoeden van partijdigheid of gebrek aan onafhankelijkheid rechtvaardigen. Het enkele feit dat een lid van de wrakingskamer eerder betrokken was bij een beslissing waarin een eerder wrakingsverzoek van verzoeker niet-ontvankelijk werd verklaard, is onvoldoende.
Verder heeft de wrakingskamer op grond van artikel 8:18 Awb Pro besloten dat een volgend wrakingsverzoek van verzoeker in deze zaken niet in behandeling zal worden genomen. Dit vanwege misbruik van het wrakingsrecht, omdat verzoeker verzoeken indient die niet gebaseerd zijn op concrete feiten maar op een algemene visie op de rechtspleging, wat leidt tot onnodige vertraging.
De wrakingskamer heeft het verzoek dus afgewezen en de lopende procedure hervat in de stand waarin deze zich bevond. Tegen deze beslissing staat geen rechtsmiddel open.
Uitkomst: Het wrakingsverzoek is kennelijk niet-ontvankelijk verklaard en verdere wrakingsverzoeken van verzoeker worden niet in behandeling genomen.