Een werknemer werd op 11 augustus 2017 op non-actief gesteld wegens grensoverschrijdend gedrag en op 28 augustus 2017 op staande voet ontslagen. Tijdens het ontslaggesprek bood de werkgever een vaststellingsovereenkomst aan, die de werknemer op 31 augustus 2017 ondertekende, waarin de arbeidsovereenkomst met wederzijds goedvinden zou eindigen per 1 december 2017. De werknemer stelde dat hij onder druk had getekend en dat er sprake was van dwaling, omdat hij dacht dat het ontslag op staande voet onaantastbaar was.
De kantonrechter oordeelde dat de werknemer onvoldoende had onderbouwd dat zijn wil ontbrak bij het sluiten van de overeenkomst en dat hij juridisch advies had kunnen inwinnen. Het beroep op dwaling werd verworpen omdat er geen sprake was van een onjuiste voorstelling van zaken of schending van mededelingsplicht. Ook het niet binnen de wettelijke bedenktermijn ontbinden van de overeenkomst stond de geldigheid ervan niet in de weg.
De kantonrechter concludeerde dat de vaststellingsovereenkomst rechtsgeldig tot stand was gekomen en dat de arbeidsovereenkomst op grond daarvan eindigde per 1 december 2017. De verzoeken van de werknemer tot loonbetaling, wedertewerkstelling en billijke vergoeding werden afgewezen. De proceskosten werden aan de werknemer opgelegd.