De zaak betreft een verzoek van de echtgenoot van de erflaatster om gemachtigd te worden de nalatenschap beneficiair te aanvaarden op grond van artikel 4:194a BW. De erflaatster was overleden en had de verzoeker tot enig erfgenaam benoemd. Verzoeker had de nalatenschap zuiver aanvaard, maar kwam later belastingschulden tegen die hij niet kende.
Verzoeker stelde dat hij de belastingschulden niet kende en ook niet behoorde te kennen omdat deze pas na het overlijden en na zijn zuivere aanvaarding waren vastgesteld. Hij had geen nader onderzoek gedaan naar de financiële administratie voorafgaand aan de zuivere aanvaarding, maar hield wel de inkomende post bij en had kennisgenomen van de administratie thuis.
De Belastingdienst voerde verweer en stelde dat verzoeker zijn verzoek tijdig had gedaan, maar dat hij de belastingschulden wel kende of behoorde te kennen. Van een erfgenaam wordt verwacht dat hij onderzoek doet naar de nalatenschap, waaronder het raadplegen van administraties en accountants.
De kantonrechter oordeelde dat verzoeker onvoldoende onderzoek had gedaan, terwijl hij bekend was met de ondernemingen van erflaatster en de complexiteit van de nalatenschap. Het nalaten van nader onderzoek betekent dat de schulden voor zijn rekening en risico blijven. Daarom werd het verzoek afgewezen.