Uitspraak
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
Procesverloop
Beslissing
Overwegingen
.De rechtbank merkt daarbij op dat de lat bij het aannemen van een vermoeden heel erg laag ligt. Het gaat namelijk om ieders verkeersveiligheid. In het onderliggende rapport van politie zijn verklaringen opgenomen, waaronder die van eiser. Eiser heeft verklaard dat hij zich niets van het ongeval kon herinneren en hierover niets kon vertellen. Wel vertelde hij dat hij moest uitwijken voor een inhalende auto. Een andere bestuurder heeft verklaard dat hij op rijstrook 3 werd ingehaald door eiser en dat na het inhalen, het (eisers) voertuig begon te slingeren tussen rijstroken 2 en 4, en dat eiser in aanraking kwam met een vrachtwagen en vervolgens tegen een ander voertuig. Een derde bestuurder verklaarde dat hij, terwijl hij een vrachtwagen inhaalde, werd ingehaald door eiser. Nadat hij was ingehaald door eiser en deze voor hem reed, begon het voertuig van eiser te tollen. Deze verklaringen, in onderling verband en samenhang bezien, bieden voldoende grond voor het vermoeden dat sprake was van een tijdelijk verminderd bewustzijn bij eiser. Een duidelijke oorzaak voor het slingeren is door de medeweggebruikers niet waargenomen. De stelling dat eiser moest uitwijken voor een andere weggebruiker strookt niet met de andere waarnemingen. Bezien in de context van de verklaringen, kan de vaststelling van de politie dat eiser zich niets kon herinneren, bijdragen aan de onderbouwing van de beslissing, wat ook zij van de gestelde redenen van eiser om tegen de politie niets te (willen) vertellen. Dat de onderzoekend arts later geen fysieke of cognitieve belemmering voor de rijbevoegdheid heeft vastgesteld, maakt dat niet anders. Nog ervan afgezien dat de arts uitgaat van de verklaring van eiser dat hij zich alles kan herinneren, gaat het in deze zaak om de vraag of later het vermoeden van ongeschiktheid gerechtvaardigd was. Achteraf vastgestelde geschiktheid doet er niet aan af dat eerder het vermoeden (een veronderstelling, waarvan de houdbaarheid nader bewijs vergt) van ongeschiktheid heeft bestaan.
Deze uitspraak is gedaan door mr. P.J.M. Mol, rechter, in aanwezigheid van mr. J.P.A. ter Schure, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 1 maart 2018.