ECLI:NL:RBMNE:2018:1000

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
1 maart 2018
Publicatiedatum
19 maart 2018
Zaaknummer
UTR 17/5081
Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Proces-verbaal
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 130 Wegenverkeerswet 1994Art. 6 EVRM
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Oplegging medisch onderzoek en schorsing rijbewijs wegens vermoeden ongeschiktheid

Eiser kreeg van de korpschef een mededeling op grond van artikel 130, eerste lid, Wegenverkeerswet 1994, waarbij het vermoeden bestond dat hij niet langer rijgeschikt was. Verweerder legde op basis hiervan een medisch onderzoek op en schorste het rijbewijs. Eiser betwistte de onderbouwing, stelde dat er geen sprake was van een black-out en dat de rapportage onzorgvuldig was. Ook voerde hij aan dat het besluit een strafrechtelijk karakter had in de zin van artikel 6 EVRM Pro.

De rechtbank oordeelde dat het vermoeden van ongeschiktheid terecht was gebaseerd op verklaringen van meerdere weggebruikers en de politie, die een tijdelijke vermindering van bewustzijn aannemelijk maakten. Het feit dat later geen medische belemmering werd vastgesteld, deed hieraan niet af. De rechtbank stelde dat artikel 6 EVRM Pro niet van toepassing is omdat het besluit niet strafrechtelijk van aard is, maar gericht op verkeersveiligheid.

De rechtbank concludeerde dat verweerder terecht het medisch onderzoek oplegde en het rijbewijs schorste. Het beroep werd ongegrond verklaard en een proceskostenveroordeling werd achterwege gelaten. Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

Uitkomst: Het beroep tegen de oplegging van het medisch onderzoek en de schorsing van het rijbewijs wordt ongegrond verklaard.

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: UTR 17/5081
proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de enkelvoudige kamer van 1 maart 2018 in de zaak tussen
[eiser] , te [woonplaats] , eiser
(gemachtigde: mr. A. el Ballouti),
en
de algemeen directeur van het Centraal Bureau Rijvaardigheidsbewijzen, verweerder
(gemachtigde: mr. J.A. Launspach).

Procesverloop

Bij besluit van 15 augustus 2017 (het primaire besluit) heeft verweerder eiser een medisch onderzoek naar de rijgeschiktheid opgelegd en eisers rijbewijs geschorst.
Bij besluit van 2 november 2017 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser ongegrond verklaard.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 1 maart 2018. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.
Na afloop van de zitting heeft de rechtbank onmiddellijk op 1 maart 2018 uitspraak gedaan.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Overwegingen

De rechtbank ziet zich ambtshalve voor de vraag gesteld of eiser nog procesbelang heeft bij zijn beroep en beantwoordt die vraag bevestigend. Eiser heeft aangevoerd dat hij zijn rijbewijs bijna zes maanden heeft moeten missen waardoor hij schade heeft geleden. Eiser heeft daarom een voldoende rechtens te honoreren belang bij een inhoudelijk oordeel.
Centraal staat de vraag of er voldoende feitelijke grondslag was om eiser een medisch onderzoek naar de rijgeschiktheid op te leggen en het rijbewijs te schorsen. Verweerder heeft van de korpschef een mededeling als bedoeld in artikel 130, eerste lid, van de Wegenverkeerswet 1994, ontvangen. Dat houdt in dat het vermoeden bestaat dat eiser niet langer beschikt over de rijvaardigheid om een voertuig te besturen. Verweerder heeft op basis van de mededeling en de daaraan ten grondslag liggende rapportage geconcludeerd dat sprake was van een wegraking (of black-out) en dat daarom een medisch onderzoek noodzakelijk was. Eiser stelt ter discussie of verweerder zich op de mededeling mocht baseren en ervaart het besluit van verweerder als een “criminal charge” in de zin van artikel 6 van Pro het Verdrag voor de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM). Eiser vindt dat er geen sprake is geweest van de gestelde black-out of wegraking. Ook vindt eiser dat de rapportage onzorgvuldig is en niet concludent omdat de rapportage tegenstrijdigheden bevat. Eiser heeft erop gewezen dat gesteld wordt hij zich niets meer kon herinneren, terwijl hij wel heeft verklaard dat hij moest uitwijken voor een inhalende auto. Ook heeft eiser erop gewezen dat hij na het ongeluk niet in staat was om een volledige verklaring af te leggen aan de aanwezige verbalisanten. Hij was in shock en hij voelde zich, als slachtoffer, door de verbalisanten gecriminaliseerd. Verder vindt eiser dat sprake is van schending van het vertrouwensbeginsel, omdat de verbalisanten hem niet hebben geïnformeerd over de melding aan verweerder.
De rechtbank is van oordeel dat verweerder terecht is overgegaan tot oplegging van een medisch onderzoek en schorsing van eisers rijbewijs
.De rechtbank merkt daarbij op dat de lat bij het aannemen van een vermoeden heel erg laag ligt. Het gaat namelijk om ieders verkeersveiligheid. In het onderliggende rapport van politie zijn verklaringen opgenomen, waaronder die van eiser. Eiser heeft verklaard dat hij zich niets van het ongeval kon herinneren en hierover niets kon vertellen. Wel vertelde hij dat hij moest uitwijken voor een inhalende auto. Een andere bestuurder heeft verklaard dat hij op rijstrook 3 werd ingehaald door eiser en dat na het inhalen, het (eisers) voertuig begon te slingeren tussen rijstroken 2 en 4, en dat eiser in aanraking kwam met een vrachtwagen en vervolgens tegen een ander voertuig. Een derde bestuurder verklaarde dat hij, terwijl hij een vrachtwagen inhaalde, werd ingehaald door eiser. Nadat hij was ingehaald door eiser en deze voor hem reed, begon het voertuig van eiser te tollen. Deze verklaringen, in onderling verband en samenhang bezien, bieden voldoende grond voor het vermoeden dat sprake was van een tijdelijk verminderd bewustzijn bij eiser. Een duidelijke oorzaak voor het slingeren is door de medeweggebruikers niet waargenomen. De stelling dat eiser moest uitwijken voor een andere weggebruiker strookt niet met de andere waarnemingen. Bezien in de context van de verklaringen, kan de vaststelling van de politie dat eiser zich niets kon herinneren, bijdragen aan de onderbouwing van de beslissing, wat ook zij van de gestelde redenen van eiser om tegen de politie niets te (willen) vertellen. Dat de onderzoekend arts later geen fysieke of cognitieve belemmering voor de rijbevoegdheid heeft vastgesteld, maakt dat niet anders. Nog ervan afgezien dat de arts uitgaat van de verklaring van eiser dat hij zich alles kan herinneren, gaat het in deze zaak om de vraag of later het vermoeden van ongeschiktheid gerechtvaardigd was. Achteraf vastgestelde geschiktheid doet er niet aan af dat eerder het vermoeden (een veronderstelling, waarvan de houdbaarheid nader bewijs vergt) van ongeschiktheid heeft bestaan.
Wat de formele gronden betreft overweegt de rechtbank als volgt. Op deze procedure is artikel 6 EVRM Pro niet van toepassing nu het niet gaat om “criminal charge” in de zin van het verdrag. Het doel van de regeling en het besluit dient de verkeersveiligheid en draagt geen punitief karakter, noch naar aard en zwaarte, noch in relatie met het te dienen doel van verkeersveiligheid nu het niet onevenredig zwaar is. Er is geen rechtsregel aan te wijzen die de politie of verweerder dwingt het vermoeden van ongeschiktheid (eerst ook) aan eiser te verstrekken, voordat het aan verweerder wordt gezonden.
Nu ook anderszins niet is gebleken van een onvolledig of onzorgvuldig onderzoek, wordt het beroep ongegrond verklaard.
Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Deze uitspraak is gedaan door mr. P.J.M. Mol, rechter, in aanwezigheid van mr. J.P.A. ter Schure, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 1 maart 2018.
griffier rechter
Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending van het proces-verbaal daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.