ECLI:NL:RBMNE:2018:103

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
15 januari 2018
Publicatiedatum
15 januari 2018
Zaaknummer
AWB - 17 _ 1958
Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3:41 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling niet-ontvankelijkheid bezwaar wegens termijnoverschrijding bij financiële bijdrage advocatuur

Eiser is door de Nederlandse orde van advocaten ingedeeld in categorie 1 voor de financiële bijdrage 2017. Hij maakte bezwaar tegen deze indeling, maar diende dit pas op 20 maart 2017 in, terwijl de bezwaartermijn tot 2 maart 2017 liep. Verweerder verklaarde het bezwaar niet-ontvankelijk wegens termijnoverschrijding.

Eiser voerde aan dat een computercrash op 16 januari 2017 de vertraging veroorzaakte en dat hij het besluit niet tijdig had ontvangen. Ook stelde hij dat verweerder onvoldoende zorgvuldigheid betrachtte door geen ontvangstbevestiging te vragen en dat het fair-play-beginsel werd geschonden. Daarnaast stelde eiser dat hij op basis van eerder gewekte verwachtingen mocht vertrouwen op een lagere categorie-indeling.

De rechtbank oordeelde dat verweerder aannemelijk had gemaakt dat het besluit op 15 januari 2017 per e-mail was verzonden en op 18 januari 2017 door eiser was geopend, dus tijdig was bekendgemaakt. De computercrash werd onvoldoende onderbouwd en de gevolgen ervan waren onduidelijk. De termijnoverschrijding werd daarom niet verschoonbaar geacht. De overige aangevoerde gronden, zoals belangenafweging en vertrouwen, werden niet in de beoordeling betrokken. Het beroep werd ongegrond verklaard.

Uitkomst: Het beroep wordt ongegrond verklaard vanwege niet-verschoonbare termijnoverschrijding.

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: UTR 17/1958

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 15 januari 2018 in de zaak tussen

[eiser] , te [woonplaats] , eiser

(gemachtigde: drs. B.M. Baart),
en

De algemene raad van de Nederlandse orde van advocaten, verweerder

(gemachtigde: mr. M.E. Veenboer).

Procesverloop

Bij besluit van 18 januari 2017 (het primaire besluit) heeft verweerder eiser voor de financiële bijdrage voor het jaar 2017 ingedeeld in categorie 1.
Bij besluit van 27 maart 2017 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser niet-ontvankelijk verklaard.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 1 november 2017. Eiser heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. Verweerder heeft zich in het bestreden besluit op het standpunt gesteld dat eiser zijn bezwaar niet binnen de geldende termijn heeft ingediend. De bezwaartermijn liep tot 2 maart 2017 en eiser heeft, naar aanleiding van een herinneringsnota, pas op 20 maart 2017 bezwaar gemaakt. In de door eiser aangevoerde redenen voor de termijnoverschrijding, te weten een computercrash op 16 januari 2017 en daardoor ontstane verwarring en hectiek, heeft verweerder geen aanleiding gezien om deze overschrijding verschoonbaar te achten. Volgens verweerder komen deze omstandigheden voor risico van eiser. Daarbij heeft verweerder in aanmerking genomen dat eiser het primaire besluit, volgens het digitale systeem van verweerder, op 18 januari 2017 heeft ontvangen.
2. Volgens eiser heeft verweerder met het bestreden besluit onvoldoende blijk gegeven van een zorgvuldige belangenafweging. Ook is verweerder niet kenbaar op alle bezwaargronden ingegaan. Eiser voert aan dat verweerder de verzending van het primaire besluit niet aannemelijk heeft gemaakt. Verweerder heeft ook geen ontvangstbevestiging opgevraagd, terwijl dit een kleine moeite was geweest. Verweerder had dan kunnen constateren dat een ontvangstbevestiging uitbleef en had daarmee zorgvuldiger kunnen handelen. Gelet hierop is het volgens eiser niet redelijk de termijnoverschrijding voor zijn risico te laten komen. Ook is volgens eiser niet meegewogen dat de betalingsherinnering pas is ontvangen na het verstrijken van de bezwaartermijn en dat eiser geen kennis had van deze bezwaartermijn. Verweerder heeft zich met deze handelwijze onttrokken aan de plicht eiser niet te frustreren in de mogelijkheid op te komen voor zijn rechten en belangen en hem tijdig te waarschuwen voor een dreigende verandering in zijn rechtspositie. Eiser heeft de bezwaartermijn daardoor niet ten volle kunnen benutten. Dit is in strijd met het fair-play-beginsel, aldus eiser. Verder betoogt eiser dat aan een jaren gevolgde gedragslijn vertrouwen kan worden ontleend. Het gaat in dit geval om de Verordening op de advocatuur en de Regeling op de advocatuur, op basis waarvan de hoogte van het bruto-inkomen uit arbeid van de advocaat maatgevend is voor de indeling in categorieën. Het honoreren van eerder gewekt vertrouwen zou voorrang moeten genieten boven strikte toepassing van de wet, zelfs bij een werking contra legem, als de uitkomst van die toepassing leidt tot een niet door de wetgever beoogd gevolg, namelijk dat de advocaat te hoog wordt aangeslagen. Uit de aangifte inkomstenbelasting over het jaar 2015 blijkt dat het bezwaar tegen de indeling in categorie 1 gerechtvaardigd is. Bij handhaving van het bestreden besluit zal eiser dus ten onrechte te hoog worden aangeslagen.
3. De rechtbank constateert dat verweerder ter zitting een uitdraai uit de verzendadministratie heeft overgelegd waaruit blijkt dat het primaire besluit op 15 januari 2017 om 7:20 uur, dus nog voor de computercrash op 16 januari 2017, naar het e-mailadres van eiser is verzonden. De rechtbank is van oordeel dat verweerder hiermee de verzending van het primaire besluit op 15 januari 2017 voldoende aannemelijk heeft gemaakt. Het primaire besluit is zodoende conform artikel 3:41 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) bekend gemaakt. Uit de door verweerder overgelegde uitdraai uit de verzendadministratie blijkt voorts dat eiser dit e-mailbericht op 18 januari 2017 om 23:06 uur heeft geopend. Gelet hierop gaat de rechtbank ervan uit dat het primaire besluit eiser heeft bereikt. Eiser heeft hier onvoldoende tegenover gesteld om tot een ander oordeel te komen. Eiser heeft de crash immers verder niet onderbouwd en heeft ook niet aannemelijk gemaakt dat het primaire besluit hem door de crash niet heeft bereikt. Eiser heeft ook geen duidelijkheid kunnen geven over de precieze consequenties van de crash.
4. De rechtbank is verder van oordeel dat verweerder in wat eiser naar voren heeft gebracht terecht geen aanleiding heeft gezien om de termijnoverschrijding verschoonbaar te achten. Dat eiser naar zijn zeggen geen weet had van het primaire besluit en de lopende bezwaartermijn, komt gelet op het voorgaande voor zijn risico. Dat de betalingsherinnering niet binnen de bezwaartermijn is verstuurd, is geen reden om verschoonbaarheid aan te nemen. Het is immers de eigen verantwoordelijkheid van eiser om tijdig bezwaar te maken en het is niet de taak van verweerder om eiser daaraan te herinneren. Dat wat eiser verder heeft aangevoerd, bijvoorbeeld over de belangenafweging, het opgewekte vertrouwen en de categorie-indeling, komt naar het oordeel van de rechtbank geen rol toe in het kader van de beoordeling van de verschoonbaarheid van de termijnoverschrijding. Aan bespreking van die gronden komt de rechtbank daarom niet toe.
5. Het beroep is ongegrond. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. V.E. van der Does, rechter, in aanwezigheid van mr. D. de Vries, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 15 januari 2018.
griffier rechter
Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.