ECLI:NL:RBMNE:2018:1534
Rechtbank Midden-Nederland
- Eerste aanleg - meervoudig
- Rechtspraak.nl
Vaststelling wederrechtelijk verkregen voordeel en ontnemingsmaatregel in zaak voorbereidingshandelingen Opiumwet
De rechtbank Midden-Nederland behandelde op 17 april 2018 een ontnemingszaak tegen de veroordeelde, die was veroordeeld voor medeplegen van voorbereidingshandelingen met betrekking tot de Opiumwet in de periode van december 2015 tot april 2016. De ontnemingsvordering betrof het bedrag van het wederrechtelijk verkregen voordeel, berekend op basis van een kasopstelling over de periode van januari 2014 tot en met april 2016.
De officier van justitie vorderde ontneming van €21.318,42, terwijl de verdediging stelde dat een deel van de contante stortingen verklaarbaar was door inkomsten van de ex-partner uit zwart werk en giften van een medeverdachte. De rechtbank verwierp dit verweer, mede omdat de verklaring van de ex-partner niet aannemelijk werd geacht zonder nadere onderbouwing.
De berekening van het wederrechtelijk verkregen voordeel was gebaseerd op het verschil tussen de legale contante ontvangsten en de werkelijke uitgaven volgens de Nibudnorm, waarbij geen contant beginsaldo werd vastgesteld. De rechtbank stelde het bedrag van het wederrechtelijk verkregen voordeel vast op €21.318,42 en legde de verplichting tot betaling van dit bedrag aan de Staat op.
Uitkomst: De rechtbank stelt het wederrechtelijk verkregen voordeel vast op €21.318,42 en legt de betalingsverplichting aan de veroordeelde op.