De werknemer trad op 8 mei 2017 in dienst bij het bedrijf van de werkgever voor 40 uur per week tegen een uurloon van €12,50. In augustus 2017 stuurde de werkgever een ontslagbrief, maar de werknemer bleef werkzaamheden verrichten en meldde zich ziek via WhatsApp, waarna de werkgever dreigde met ontslag op staande voet. De werknemer vorderde betaling van achterstallig loon, reiskostenvergoeding, wettelijke verhoging, rente, loonspecificaties en incassokosten.
De kantonrechter oordeelde dat er geen schriftelijke overeenkomst was waarin de werknemer instemde met beëindiging van de arbeidsovereenkomst op 15 augustus 2017, zoals vereist volgens de wet. De arbeidsovereenkomst bestond daarom nog en de werkgever moest salaris betalen tot een rechtsgeldige beëindiging, vermoedelijk op 7 november 2017.
De loonvorderingen van de werknemer waren goed onderbouwd en niet gemotiveerd betwist, zodat het gevorderde bedrag grotendeels werd toegewezen. Ook de reiskostenvergoeding werd toegekend op basis van de contractuele berekeningswijze. De wettelijke verhoging en rente werden toegewezen, evenals de verstrekking van loonspecificaties onder dwangsom. De werkgever werd veroordeeld in de proceskosten en nakosten.
Het vonnis werd uitvoerbaar bij voorraad verklaard en het meer of anders gevorderde werd afgewezen. De uitspraak bevestigt het belang van schriftelijke beëindigingsovereenkomsten en correcte loonbetalingen.