De wrakingskamer van de Rechtbank Midden-Nederland heeft op 23 maart 2018 een wrakingsverzoek behandeld dat was gericht tegen de kinderrechter die betrokken was bij een zaak over verlenging van ondertoezichtstelling en uithuisplaatsing van de zoon van verzoeker.
Verzoeker stelde dat de rechter onpartijdigheid had geschonden door de zoon uit huis te plaatsen zonder schriftelijk verzoek en door stukken van de advocaat voorafgaand aan de zitting niet te hebben gelezen, wat zou leiden tot een oneerlijk proces en vooringenomenheid.
De rechter verweerde zich door te stellen dat de uithuisplaatsing was gebaseerd op artikel 800, derde lid Rv, en dat zij de stukken wel degelijk zou lezen, zo nodig na de zitting. De wrakingskamer oordeelde dat geen persoonlijke vooringenomenheid was gesteld of gebleken en dat het niet vooraf lezen van alle stukken niet leidde tot een objectief gerechtvaardigde vrees voor partijdigheid.
De wrakingskamer verklaarde het verzoek tot wraking ongegrond en bepaalde dat de zaak voortgezet zou worden in de stand waarin deze zich bevond bij schorsing. Tegen deze beslissing is geen rechtsmiddel open.