ECLI:NL:RBMNE:2018:2217

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
16 april 2018
Publicatiedatum
22 mei 2018
Zaaknummer
AWB - 17/3477-V
Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:3 AwbArt. 6:2 AwbArt. 8:54 AwbArt. 8:55 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verzet gegrond tegen onbevoegdheidsuitspraak, beroep niet-ontvankelijk wegens tijdige besluitvorming

De rechtbank Midden-Nederland heeft op 16 april 2018 uitspraak gedaan over het verzet van opposant tegen een eerdere uitspraak van 13 november 2017, waarin de rechtbank zich onbevoegd had verklaard kennis te nemen van het beroep tegen het niet-tijdig nemen van een besluit door het college van burgemeester en wethouders van Utrecht.

Opposant voerde twee argumenten aan: een principieel argument over het recht op besluitvorming bij verzoeken om informatie die al openbaar zou zijn, en een feitelijk argument dat de gevraagde informatie niet openbaar was. De rechtbank oordeelde dat de aanvraag van 30 mei 2017 wel degelijk een aanvraag in de zin van de Awb was en dat de brief van 23 juni 2017 van het college als een besluit moest worden gezien, waarmee het college niet in gebreke was.

Daarom verklaarde de rechtbank het verzet gegrond en het beroep niet-ontvankelijk. Tevens werd de verweerder veroordeeld tot betaling van proceskosten van €250,50. Tegen deze uitspraak is geen rechtsmiddel mogelijk voor het verzet, maar hoger beroep staat open tegen het beroep.

Uitkomst: Verzet gegrond verklaard, beroep niet-ontvankelijk wegens tijdige besluitvorming door het college.

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: UTR 17/3477-V

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 16 april 2018 op het verzet van

[opposant] , te [woonplaats] , opposant,

(gemachtigde: drs. C. van Oosten).

Procesverloop

Bij uitspraak van 13 november 2017 heeft deze rechtbank met toepassing van artikel 8:54 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb zich onbevoegd verklaard kennis te nemen van het beroep. Het beroep is gericht tegen het niet-tijdig nemen van een besluit door het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Utrecht (geopposeerde). De rechtbank is hiertoe overgegaan, omdat zij oordeelde dat het beroep tegen het niet-tijdig nemen van een besluit zich niet richtte tegen een besluit in de zin van art. 1:3, eerste lid, van de Awb.
Tegen deze uitspraak heeft opposant verzet gedaan.
Opposant is in de gelegenheid gesteld op 14 maart 2018 ter zitting te worden gehoord. Van deze mogelijkheid heeft opposant geen gebruik gemaakt.

Overwegingen

1. Op grond van artikel 8:55, eerste lid, van de Awb – voor zover hier van belang – kan een belanghebbende tegen de uitspraak, bedoeld in artikel 8:54, tweede lid, van de Awb verzet doen bij de rechtbank. Indien de rechtbank het verzet niet-ontvankelijk of ongegrond verklaart, blijft de uitspraak waartegen verzet was gedaan op grond van artikel 8:55, achtste lid, van de Awb in stand.
2. In het verzetschrift brengt opposant twee argumenten naar voren die hij aanduidt als principieel argument en feitelijk argument. Het principiële argument ziet op de vraag of geopposeerde er van af kan zien een besluit te nemen als het verzoek betrekking heeft op informatie die al openbaar is, althans waarvan de gemeente beweert dat die al openbaar is. Indien deze vraag bevestigend wordt beantwoord dan betekent dit volgens opposant dat geopposeerde elk onwelgevallig verzoek straffeloos kan negeren, zonder dat de verzoeker daarmee naar de bestuursrechter kan lopen. Dat kan onmogelijk de bedoeling van de wetgever zijn. Om te voorkomen dat geopposeerde het opposant op die manier onmogelijk maakt om bezwaar dan wel beroep in te stellen tegen het weigeren dan wel niet nemen van een besluit dient geopposeerde, volgens opposant, minstens een besluit te nemen waarin opposant niet-ontvankelijk wordt verklaard. Het feitelijk argument van opposant ziet op de vraag of de gevraagde informatie al reeds openbaar is gemaakt. Opposant heeft dit betwist en had dit standpunt mondeling ter zitting willen toelichten. De rechtbank begrijpt hieruit dat opposant van mening is dat deze zaak niet als kennelijk kan worden aangemerkt en er daarom een zitting had moeten plaatsvinden. Verder volhardt opposant in zijn standpunt dat de gevraagde informatie ten tijde van de aanvraag van 30 mei 2017 niet reeds openbaar was en deze informatie ook nog steeds niet openbaar is.
3. In wat opposant heeft aangevoerd, ziet de verzetrechter aanleiding anders te oordelen dan in de uitspraak van 13 november 2017 is gedaan. De verzetrechter overweegt daartoe het volgende. De rechtbank had redelijkerwijs niet tot het oordeel kunnen komen dat de aanvraag van 30 mei 2017 aangemerkt diende te worden als een aanvraag tot het verrichten van een feitelijke handeling zonder eerst het standpunt van opposant, dat de gevraagde informatie nog niet openbaar was gemaakt, nader te onderzoeken. Het moet er daarom voor worden gehouden dat de aanvraag van 30 mei 2017 een aanvraag is in de zin van artikel 1:3, derde lid, van de Awb. Bij brief van 23 juni 2017 heeft geopposeerde een reactie gegeven op de aanvraag van 30 mei 2017. De brief van 23 juni 2017 dient naar het oordeel van de verzetrechter te worden opgevat als het weigeren een besluit te nemen op de aanvraag van 30 mei 2017. Deze schriftelijke weigering een besluit te nemen is op grond van artikel 1:3, tweede lid, en artikel 6:2 van Pro de Awb een besluit. Derhalve ziet de rechtbank aanleiding het verzet gegrond te verklaren. Ingevolge artikel 8:55, negende lid, van de Awb, vervalt dientengevolge de uitspraak waartegen verzet was gedaan en wordt het onderzoek door de verzetrechter voortgezet in de stand waarin het zich bevond.
4. De verzetrechter is tot de conclusie gekomen dat nader onderzoek redelijkerwijs niet kan bijdragen aan de beoordeling van de zaak. De verzetrechter doet daarom op grond van artikel 8:55, tiende lid, van de Awb in deze uitspraak ook uitspraak op het beroep.
5. De verzetrechter stelt vast dat opposant geopposeerde op 30 juli 2017 in gebreke heeft gesteld. Nu gelet op het voorgaande geopposseerde al reeds op 23 juni 2017 op de aanvraag van 30 mei 2017 heeft beslist is geopposeerde op geen moment in gebreke geweest een besluit te nemen op de aanvraag van 30 mei 2017. Het beroep is daarom niet-ontvankelijk. Dit volgt ook uit de uitspraak van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State van 6 augustus 2014 (ECLI:NL:RVS:2014:2946).
6. De rechtbank veroordeelt verweerder in de door verzoeker gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Bpb voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 250,50 (1 punt voor het indienen van het verzetschrift met een waarde per punt van € 501,- en een wegingsfactor 0,5).

Beslissing

De rechtbank
- verklaart het verzet gegrond;
- verklaart het beroep niet-ontvankelijk;
- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiseres tot een bedrag van € 250,50.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M.E. Falkmann, rechter, in aanwezigheid van
G. van Luling LLB, griffier
.De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 16 april 2018.
griffier rechter
Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak staat voor zover daarbij is beslist op het verzet geen rechtsmiddel open.
Tegen deze uitspraak kan voor zover daarbij is beslist op het beroep binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.