Uitspraak
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 25 juni 2018 in de zaak tussen
[eiseres] , te [vestigingsplaats] , eiseres
[derde-partij], te [woonplaats] .
Procesverloop
Overwegingen
25 oktober 2017.
Rechtbank Midden-Nederland
De zaak betreft een beroep tegen het besluit van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (UWV) om een WIA-uitkering toe te kennen aan een ex-werknemer die voor 100% arbeidsongeschikt werd geacht, maar waarvan de arbeidsongeschiktheid niet duurzaam was. De kern van het geschil was de urenbeperking en de bandbreedte daarvan zoals vastgelegd in de Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) van 25 oktober 2017.
Eiseres stelde dat de belastbaarheid van de werknemer achteraf onrechtmatig was verhoogd door een ruimere bandbreedte in de FML te hanteren dan in eerdere versies, wat in strijd zou zijn met het vertrouwensbeginsel. De rechtbank oordeelde echter dat de bandbreedte in de FML geen absolute grens aangeeft, maar een toegestane marge, en dat de toelichting in de FML van 12 september 2017 al een dergelijke relativering bevatte. De wijziging in de toelichting was geen onvoorwaardelijke toezegging en geen ontoelaatbare relativering.
De rechtbank stelde ook vast dat het medisch oordeel van de verzekeringsarts bezwaar en beroep, die de FML opstelde, zorgvuldig en begrijpelijk was en dat het ingebrachte ICARA-rapport onvoldoende was om dit oordeel te betwijfelen. De conclusie was dat de arbeidsongeschiktheid niet duurzaam was en dat de toekenning van een WIA-uitkering op basis van de FML terecht was. Het beroep werd ongegrond verklaard.
Uitkomst: Het beroep tegen het besluit tot toekenning van de WIA-uitkering met de vastgestelde urenbeperking wordt ongegrond verklaard.