Uitspraak
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
[gedaagde sub 5],
[gedaagde sub 6],
1.De procedure
- het tussenvonnis van 20 december 2017
- het proces-verbaal van comparitie van 24 april 2018.
Rechtbank Midden-Nederland
In deze civiele zaak vordert de curator van het faillissement van [bedrijfsnaam 1] B.V. betaling en vernietiging van diverse verrekeningen en betalingen die voorafgaand aan het faillissement zijn gedaan. De vorderingen betreffen onder meer verrekeningen in rekening-courant tussen gelieerde vennootschappen en betalingen aan [gedaagde sub 1], alsmede de overdracht van auto’s aan [gedaagde sub 2].
De rechtbank stelt als peilmoment voor het moment waarop insolventie van [bedrijfsnaam 1] te verwachten was, 30 augustus 2012 vast. Verrekeningen en betalingen vóór die datum worden als toegestaan beschouwd, terwijl betalingen na die datum als benadelend voor schuldeisers worden aangemerkt en door de curator zijn vernietigd. De rechtbank wijst de vordering tot betaling van € 2.660,- toe voor de betalingen na het peilmoment en verklaart deze vernietigd. Tevens worden de bestuurders van de betrokken vennootschappen hoofdelijk aansprakelijk gesteld voor deze betalingen wegens ernstig verwijtbaar handelen.
De vordering tot betaling van € 45.375,06 door [gedaagde sub 2] wordt eveneens toegewezen, omdat de verrekening niet was toegestaan. Andere vorderingen worden afgewezen, onder meer omdat verrekeningen vóór het peilmoment niet onrechtmatig waren. De rechtbank houdt de zaak aan voor het indienen van beslagstukken en verklaart het vonnis uitvoerbaar bij voorraad.
Uitkomst: De rechtbank vernietigt betalingen na 30 augustus 2012 en stelt bestuurders hoofdelijk aansprakelijk voor € 2.660,- en veroordeelt [gedaagde sub 2] tot betaling van € 45.375,06.