Uitspraak
De procedure
Het
De beoordeling
De beslissing
Rechtbank Midden-Nederland
In een kort gedingprocedure over een geschil betreffende distributie, licentie, en gebruik van een merk-/handelsnaam hebben verzoekers de voorzieningenrechter gewraakt. Zij stelden dat de rechter vooringenomen was door het niet accepteren van een te laat ingediend stuk van verzoekers, terwijl een eveneens te laat ingediend stuk van eiseressen wel werd geaccepteerd, en door ongelijkwaardige behandeling in bewijsvoering.
De wrakingskamer heeft het verzoek beoordeeld aan de hand van artikel 36 en Pro 37 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering. De kamer concludeerde dat persoonlijke vooringenomenheid niet was gesteld of gebleken en dat de procesbeslissingen van de rechter begrijpelijk waren gemotiveerd. De enkele stelling dat de rechter verzoekers zou hebben opgedragen de overeenkomst te bewijzen, was onvoldoende om vooringenomenheid aan te nemen.
De wrakingskamer oordeelde dat de feiten en omstandigheden geen grond boden voor het oordeel dat de rechterlijke onpartijdigheid schade zou lijden. Het wrakingsverzoek werd daarom ongegrond verklaard en de procedure in de hoofdzaak werd voortgezet in de stand waarin deze zich bevond ten tijde van de schorsing.
Uitkomst: Het wrakingsverzoek tegen de voorzieningenrechter wordt ongegrond verklaard en de procedure wordt voortgezet.