Uitspraak
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
1.De procedure
- verzoeker;
- mevrouw [bewindvoerder] , bewindvoerder over de goederen van verzoeker, als belanghebbende.
Rechtbank Midden-Nederland
Verzoeker diende een wrakingsverzoek in tegen de kantonrechter die betrokken was bij de behandeling van zijn zaak betreffende de vijfjaarlijkse evaluatie van bewindvoering. Verzoeker stelde dat de kantonrechter onpartijdigheid had geschonden door geen aanwijzing te geven aan de bewindvoerder om geld vrij te maken voor een betaald LinkedIn-account, wat volgens verzoeker een schending van zijn universele mensenrechten inhoudt.
De kantonrechter ontkende vooringenomenheid en bood verzoeker alternatieven aan, waaronder het verplaatsen van de zitting en het benoemen van een deskundige om de noodzaak van bewindvoering te onderzoeken. Verzoeker maakte geen gebruik van deze opties. De kantonrechter handelde binnen de wettelijke bevoegdheden en zag geen reden om de bewindvoerder een aanwijzing te geven.
De wrakingskamer onderzocht of er sprake was van persoonlijke vooringenomenheid of een objectief gerechtvaardigde vrees daarvoor. Dit werd niet vastgesteld. Het feit dat de kantonrechter eerder een onwelgevallige beslissing had genomen, was onvoldoende om wraking te rechtvaardigen.
Daarom verklaarde de wrakingskamer het wrakingsverzoek ongegrond en bepaalde dat de procedure in de oorspronkelijke stand wordt voortgezet.
Uitkomst: Het wrakingsverzoek tegen de kantonrechter wordt ongegrond verklaard en de procedure wordt voortgezet.