Uitspraak
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
1.De procedure
2.De Feiten
3.Het geschil en de beoordeling daarvan
énvoldaan is aan een van de vier overige voorwaarden genoemd in artikel 10 van Pro Brussel II bis onder i), ii), iii) en iv).
Rechtbank Midden-Nederland
De vader en moeder hadden een affectieve relatie van 2002 tot 2015 en zijn de ouders van een in 2011 geboren zoon met dubbele Nederlandse en Poolse nationaliteit. De moeder verhuisde in 2015 naar Polen en nam de minderjarige mee zonder toestemming van de vader. De vader vordert dat de rechtbank bevestigt dat hij samen met de moeder het ouderlijk gezag heeft en dat de overbrenging naar Polen onrechtmatig was.
De moeder betwist de bevoegdheid van de Nederlandse rechtbank, stellende dat de gewone verblijfplaats van het kind in Polen is en alleen de Poolse rechter bevoegd is. De rechtbank onderzoekt of sprake is van kinderontvoering volgens het Haags Kinderontvoeringsverdrag en Brussel II bis, waarbij het gezagsrecht van de vader centraal staat.
De rechtbank stelt vast dat volgens het Haags Kinderbeschermingsverdrag van 1961 de gezagsverhouding die van rechtswege uit het Poolse recht voortvloeit, erkend moet worden in Nederland. Hierdoor heeft de vader sinds de geboorte gezag, ondanks het ontbreken van een Nederlandse gezagsregistratie. De overbrenging door de moeder zonder instemming van de vader is ongeoorloofd. De vader heeft tijdig een verzoek tot terugkeer ingediend, waardoor de Nederlandse rechtbank bevoegd blijft.
De rechtbank verklaart voor recht dat de vader samen met de moeder het ouderlijk gezag heeft sinds de geboorte en dat de overbrenging naar Polen in strijd is met het gezagsrecht van de vader. De kosten van de procedure worden ieder voor eigen rekening gelaten.
Uitkomst: De rechtbank verklaart dat de vader samen met de moeder het ouderlijk gezag heeft en dat de overbrenging van de minderjarige naar Polen in strijd is met zijn gezagsrecht.