Op 13 maart 2016 stichtte de minderjarige verdachte samen met een medeverdachte brand in een auto te Utrecht. De verdachte gaf toe de brand te hebben gesticht door benzine in de auto te gieten en een brandend stuk papier aan te steken, nadat de medeverdachte een ruit had ingeslagen. De brand veroorzaakte aanzienlijke materiële schade aan nabij geparkeerde voertuigen.
De rechtbank achtte wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte medepleegde aan het opzettelijk veroorzaken van brand en een explosie, waarbij gemeen gevaar voor goederen te duchten was. Er werd echter geen gevaar voor personen vastgesteld, zodat verdachte op dat punt werd vrijgesproken.
De verdediging betoogde dat de verdachte geen straf meer behoefde vanwege zijn persoonlijke omstandigheden en het advies van de Raad voor de Kinderbescherming. De rechtbank hield rekening met de ernst van het feit, de rol van de verdachte, zijn persoonlijke ontwikkeling en het feit dat hij zelf oogletsel opliep.
De rechtbank veroordeelde de verdachte tot een taakstraf van 80 uur, met vervangende jeugddetentie van 40 dagen, waarbij de tijd in voorarrest werd verrekend. Daarnaast werd een schadevergoeding van €482,42 toegewezen aan een benadeelde partij, met een aanvullende maatregel van 9 dagen jeugddetentie bij niet-betaling.
De uitspraak werd gewezen door voorzitter M.W.V. van Duursen en rechter A.G. Bakker op 2 oktober 2018.