Uitspraak
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
Procesverloop
Beslissing
Overwegingen
nietovergelegd. De voorzieningenrechter is hierdoor niet in staat te beoordelen of het bestreden besluit berust op enige feitelijke grondslag. Verweerder heeft dus niet aannemelijk gemaakt dat zich feiten hebben voorgedaan die een ingrijpende maatregel – sluiting van de garage van verzoeker – rechtvaardigen. De voorzieningenrechter betrekt hierbij dat verweerder naar de huidige stand van zaken niet weet wanneer zich het incident met het ‘vuurwapen’ heeft voorgedaan en dat het incident dat verweerder aanduidt als mishandeling zich ruim anderhalf jaar geleden zou hebben voorgedaan. Zelfs als verweerder deze feiten kan staven met de bestuurlijke rapportage, betekent dit dat verweerder moet uitleggen waarom de openbare als gevolg daarvan ook nu nog zodanig in het geding is dat tijdelijke sluiting van de garage noodzakelijk is. De in het primaire besluit gegeven uitleg is ontoereikend. De voorzieningenrechter ziet met de door verweerder gegeven toelichting dat de (kennelijk vruchteloze) doorzoeking van eind 2017 “in het plaatje past” overigens volstrekt niet in wat de betekenis hiervan is voor de vraag of de openbare orde hierdoor is aangetast.
De blote ontkenning van verzoeker van de door verweerder gestelde feiten is in dit geval voldoende om te concluderen dat bestreden besluit de toets van de rechtmatigheid niet doorstaat. Daarbij merkt de voorzieningenrechter op dat dit oordeel een voorlopig karakter heeft en dit oordeel de rechtbank niet bindt in een (eventueel) bodemgeding. Verzoekers bezwaar heeft gezien het voorgaande een redelijke kans van slagen. De voorzieningenrechter ziet daarom aanleiding om het verzoek om een voorlopige voorziening toe te wijzen. Hij zal de uitvoering van het primaire besluit opschorten tot zes weken na de bekendmaking van de beslissing op bezwaar.