Uitspraak
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
1.De procedure
- de dagvaarding
- de producties van [gedaagde] van 1 oktober 2018
- de mondelinge behandeling van 2 oktober 2018.
2.De inleiding
3.De vordering
4.De beoordeling
816,00
Rechtbank Midden-Nederland
Eiser was getrouwd met de zoon van gedaagde, met wie zij samen eigenaar was van de voormalige echtelijke woning. Na de echtscheiding werd afgesproken dat eiser het aandeel van haar ex-partner zou overnemen, mits deze werd ontslagen van de hoofdelijke aansprakelijkheid voor de hypotheek. Omdat gedaagde zijn aandeel niet wilde overdragen, startte eiser een kort geding om medewerking af te dwingen.
De voorzieningenrechter oordeelde dat eiser spoedeisend belang had vanwege een geldige financieringsofferte en de lopende verzoekschriftprocedure tussen eiser en haar ex-partner. De rechter stelde dat gedaagde op grond van redelijkheid en billijkheid verplicht kan zijn mee te werken aan de overdracht, ondanks zijn eigendomsbelang.
Na belangenafweging werd geoordeeld dat het belang van eiser, die met haar zoon in de woning woont en financieel in staat is de woning over te nemen, zwaarder weegt dan het belang van gedaagde, die zijn vorderingen onvoldoende onderbouwde. De voorzieningenrechter bepaalde dat het vonnis in de plaats treedt van de benodigde medewerking van gedaagde en wees de gevorderde dwangsommen af. Gedaagde werd veroordeeld in de proceskosten.
Uitkomst: Gedaagde wordt verplicht mee te werken aan de overdracht van zijn aandeel in de woning aan eiser, onder verwijzing naar artikel 3:300 BW.