Uitspraak
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
1.De procedure
- verzoeker met zijn advocaat;
- de heer [A] , geneesheer-directeur en de heer [B] , psychiater, namens verweerder, in aanwezigheid van mevrouw [C] , een medewerker in opleiding.
Rechtbank Midden-Nederland
Verzoeker, opgenomen wegens een manisch-psychotisch toestandsbeeld bij een bipolaire stoornis, diende een klacht in tegen de toediening van dwangmedicatie. Hij stelde dat de medicatie onrechtmatig was toegediend en eiste schadevergoeding. Verweerder stelde dat er sprake was van zowel extern als intern gevaar, waaronder agressie en onveilige situaties op de afdeling, waardoor dwangmedicatie noodzakelijk was.
De rechtbank oordeelde dat de dwangmedicatie voldeed aan de eisen van subsidiariteit, proportionaliteit en doelmatigheid. Verzoeker was niet bereid vrijwillig medicatie te nemen en de medicatie was noodzakelijk om gevaar af te wenden. De situatie van intern gevaar maakte het wachten op een rechterlijke beslissing onverantwoord.
De klacht tegen de dwangmedicatie werd daarom ongegrond verklaard. Ook het verzoek om schadevergoeding werd afgewezen omdat de dwangmedicatie zorgvuldig en rechtmatig was toegepast in een noodsituatie. De rechtbank verwierp het beroep van verzoeker op een eerdere uitspraak waarin alleen extern gevaar speelde.
De beschikking is gegeven door een meervoudige kamer van de rechtbank Midden-Nederland op 30 oktober 2018.
Uitkomst: De klacht tegen dwangmedicatie is ongegrond verklaard en het verzoek tot schadevergoeding is afgewezen.