Verdachte werd verdacht van afpersing, diefstal, dwang en vrijheidsberoving op 9 september 2016 te Eemnes en/of Baarn. De officier van justitie achtte enkele feiten wettig bewezen, vooral de diefstal en vrijheidsberoving, maar vroeg vrijspraak voor het gebruik van geweld en vuurwapen wegens gebrek aan bewijs. De verdediging betwistte alle ten laste gelegde feiten en stelde dat de verklaringen van de slachtoffers inconsistent en onbetrouwbaar waren.
Tijdens het onderzoek bleek dat de eerste politieverklaringen van de slachtoffers over geweld en dreiging wezenlijk verschilden van hun latere verklaringen bij de rechter-commissaris, waarbij zij belangrijke elementen herroepen. Objectief bewijs, zoals camerabeelden en forensisch onderzoek, toonde geen letsel of geweld aan en ondersteunde het scenario van de verdediging.
De rechtbank concludeerde dat de verklaringen van de slachtoffers onbetrouwbaar waren en het overige bewijs marginaal en onvoldoende om de strafbare feiten wettig en overtuigend vast te stellen. Daarom sprak de rechtbank verdachte vrij van alle ten laste gelegde feiten.
De benadeelde partij werd niet-ontvankelijk verklaard in haar vordering tot schadevergoeding, omdat de strafbare feiten niet bewezen zijn. De rechtbank bepaalde dat de vordering bij de burgerlijke rechter kan worden voortgezet en dat ieder zijn eigen proceskosten draagt.