Uitspraak
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
1.De procedure
2.De feiten en het geschil
3.De beoordeling
“Mevrouw [eiseres] verklaart dat zij geen (mede)huurder wil worden, maar slechts met haar kinderen inwoont bij haar partner, [B] .”.
Rechtbank Midden-Nederland
Eiseres vordert op grond van artikel 7:268 BW Pro voortzetting van de huurovereenkomst na het overlijden van de oorspronkelijke huurder, met wie zij een duurzame gemeenschappelijke huishouding voerde. Gedaagde betwist dat eiseres aan de wettelijke voorwaarden voldoet en voert aan dat zij in een eerder proces heeft verklaard geen medehuurder te willen worden. De kantonrechter oordeelt dat deze verklaring geen afstand doet van haar recht om de vordering nu in te stellen.
De kantonrechter toetst de vordering aan de strikte eisen van artikel 7:268 lid 2 en Pro 3 BW. Hoewel eiseres aannemelijk maakt dat zij met de overledene een duurzame gemeenschappelijke huishouding had en de woning als hoofdverblijf gebruikte, faalt zij in het aantonen van voldoende financiële waarborgen. Gedaagde wijst op aanzienlijke schulden van eiseres, waaronder een schuld aan de Sociale Verzekeringsbank en eerdere schulden uit een campingverblijf.
Eiseres heeft onvoldoende onderbouwd dat zij de huur en bijkomende kosten kan voldoen. Daarnaast is zij niet in het bezit van de vereiste huisvestingsvergunning, die noodzakelijk is voor voortzetting van de huur onder de Huisvestingsverordening Regio Utrecht 2015. De aanvraag is door de gemeente buiten behandeling gesteld, mede omdat zij geen huurovereenkomst op haar naam kan overleggen en gedaagde geen bereidheid toont haar als huurder te accepteren.
Gelet op deze omstandigheden wijst de kantonrechter de vordering af en veroordeelt eiseres tot betaling van de proceskosten aan de zijde van gedaagde.
Uitkomst: De vordering tot voortzetting van de huur wordt afgewezen wegens onvoldoende financiële waarborgen en het ontbreken van een huisvestingsvergunning.