ECLI:NL:RBMNE:2018:5386

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
19 oktober 2018
Publicatiedatum
5 november 2018
Zaaknummer
466778 / JE RK 18-1813
Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Beschikking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:265d lid 2 BWArt. 810 Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek minderjarige tot intrekking machtiging uithuisplaatsing

De minderjarige heeft verzocht om de machtiging tot uithuisplaatsing in te trekken, omdat haar oom en tante zich bereid hebben verklaard haar op te nemen. De kinderrechter beoordeelde de ontvankelijkheid van het verzoek en concludeerde dat het verzoek terecht bij de gecertificeerde instelling was ingediend.

De kinderrechter overwoog dat hoewel het wenselijk is een kind bij familie te plaatsen, in deze zaak de familieleden betrokken zijn bij het conflict dat aanleiding gaf tot de uithuisplaatsing. Er is sprake van een loyaliteitsconflict tussen de ouders en de familie, waardoor een neutrale plek noodzakelijk is voor de ontwikkeling van de minderjarige.

De gecertificeerde instelling en de Raad voor de Kinderbescherming adviseerden plaatsing in een pleeggezin of een instelling, waarbij de tante niet als neutrale partij werd gezien. Gezien het ontbreken van een geschikt pleeggezin en de onrust binnen de familie, achtte de kinderrechter het belang van de minderjarige gediend met voortzetting van de uithuisplaatsing op een neutrale locatie.

Daarom wees de kinderrechter het verzoek tot intrekking van de machtiging uithuisplaatsing af.

Uitkomst: Het verzoek van de minderjarige tot intrekking van de machtiging uithuisplaatsing wordt afgewezen en de uithuisplaatsing wordt voortgezet.

Uitspraak

Beschikking

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Afdeling Familierecht
Zittingsplaats: Utrecht
zaakgegevens : C/16/466778 / JE RK 18-1813
datum uitspraak: 19 oktober 2018

Beschikking verzoek beëindiging uithuisplaatsing

in de zaak van

[verzoekster] , geboren op [geboortedatum] 2003 te [geboorteplaats] ,

hierna te noemen: [voornaam van verzoekster] ,
wonende te [woonplaats] ,
advocaat: mr. W.A. Breddels.
De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:

[belanghebbende 1] , hierna te noemen: de vader,

wonende te [woonplaats] ,

[belanghebbende 2] , hierna te noemen: de moeder,

wonende te [woonplaats] ,
advocaat: mr. J. van Andel,

de gecertificeerde instelling SAMEN VEILIG MIDDEN-NEDERLAND,

hierna te noemen: de GI.
De Raad voor de Kinderbescherming (hierna: de Raad) is betrokken op grond van artikel 810 van Pro het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv).

Het procesverloop

Het procesverloop blijkt uit de volgende stukken:
- het verzoek met bijlagen van de minderjarige van 6 september 2018, ingekomen bij de griffie op 7 september 2018; en
- het verweerschrift met bijlagen van de moeder van 2 oktober 2018, ingekomen bij de griffie op 2 oktober 2018.
Op 5 oktober 2018 heeft de kinderrechter de zaak ter zitting met gesloten deuren behandeld.
Gehoord zijn:
- [voornaam van verzoekster] ,
- de moeder,
- de vader,
- mevrouw [A] namens de GI,
- mevrouw [B] namens de Raad.

De feiten

Het ouderlijk gezag over [voornaam van verzoekster] wordt uitgeoefend door de ouders.
Bij beschikking van 8 mei 2018 is [voornaam van verzoekster] onder toezicht gesteld tot 8 mei 2019.
De kinderrechter heeft bij deze beschikking tevens machtiging verleend tot uithuisplaatsing van [voornaam van verzoekster] voor de duur van de ondertoezichtstelling in een accommodatie jeugdhulpaanbieder. Deze is tot op heden ten uitvoer gelegd in [locatie 1] in [plaatsnaam] .
De advocaat van [voornaam van verzoekster] heeft op 21 augustus 2018 aan de GI schriftelijk verzocht de uithuisplaatsing te beëindigen wegens gewijzigde omstandigheden.
De GI heeft niet binnen twee weken na ontvangst van het verzoek een beslissing genomen op het verzoek.

Het verzoek

[voornaam van verzoekster] heeft aan de kinderrechter verzocht de machtiging uithuisplaatsing geheel in te trekken. Aan dit verzoek wordt ten grondslag gelegd dat de oom en tante van [voornaam van verzoekster] zich bereid hebben verklaard om [voornaam van verzoekster] in hun gezin op te nemen en haar op te voeden en te verzorgen. Dit kan als wijziging van omstandigheden worden aangemerkt zodat de uithuisplaatsing kan worden beëindigd.

De standpunten

[voornaam van verzoekster] is het nooit eens geweest met de uithuisplaatsing bij [locatie 1] in [plaatsnaam] . [voornaam van verzoekster] voelt zich niet op haar plek in [locatie 1] tussen veel meiden met problemen in verband met bijvoorbeeld drugs of lover boys. Ze wil graag in een gezinsverband wonen in plaats van in een instelling. Tijdens de zitting is gesproken over de mogelijkheid om bij [locatie 2] te worden geplaatst. [voornaam van verzoekster] verwacht dat ze ook in een woongroep zoals [locatie 2] last zal hebben van stress en onrust, omdat ook dat nog een grote groep is en er jongeren met hun eigen problemen wonen.
De vader is van mening dat het schadelijk voor [voornaam van verzoekster] is om bij haar tante te gaan wonen.
De raadsman van moeder heeft naar voren gebracht dat [voornaam van verzoekster] niet ontvankelijk is in het verzoek, aangezien het gericht is aan Samen Veilig. Hij stelt zich op het standpunt dat de Raad voor de Kinderbescherming de wederpartij behoort te zijn.
De moeder kan zich voorstellen dat [voornaam van verzoekster] zich in [locatie 1] niet op haar plek voelt, maar wonen bij haar tante is niet de oplossing. De moeder is van mening dat [locatie 2] een betere plek voor [voornaam van verzoekster] is.
De GI verklaart dat er naar aanleiding van een perspectiefgesprek is geadviseerd om [voornaam van verzoekster] in een pleeggezin, niet zijnde een netwerkpleeggezin, te plaatsen. Vanuit [naam organisatie] is gezocht naar een geschikt pleeggezin, maar dat is er, mede vanwege de leeftijd van [voornaam van verzoekster] , niet. De beste oplossing is nu plaatsing bij [locatie 2] .
Er is wel gekeken naar terugplaatsing van [voornaam van verzoekster] binnen het netwerk, maar dat lijkt niet in het belang van [voornaam van verzoekster] . Er heerst veel onrust binnen de familie. Er wordt van verschillende kanten aan [voornaam van verzoekster] getrokken, waardoor zij in een loyaliteitsconflict terecht komt tussen ouders enerzijds en oma en tante anderzijds. Het is op dit moment vooral van belang dat [voornaam van verzoekster] uit de vertrouwde omgeving van haar familie wordt gehaald en op een neutrale plek gaat wonen. De GI verklaart dat tante zich niet bij haar als netwerkpleeggezin heeft gemeld. Zij heeft éénmalig telefonisch contact met tante gehad, uit welk gesprek zij opmerkte dat ook tante een hele sterke mening heeft over de ouders van [voornaam van verzoekster] .
Ook volgens de Raad is mogelijk sprake van een loyaliteitsconflict van [voornaam van verzoekster] tussen ouders en oma en tante. Door plaatsing buiten haar familie kan [voornaam van verzoekster] zoveel mogelijk loskomen van de loyaliteiten waarin zij verstrikt is geraakt. De Raad begrijpt dat [locatie 1] niet de beste plek is voor [voornaam van verzoekster] , maar dat dit op dit moment niet anders kan. De Raad is van mening dat het voor de ontwikkeling van [voornaam van verzoekster] goed zou zijn als de familie zich overgeeft aan het feit dat [voornaam van verzoekster] op een neutrale plek woont. Dit zal [voornaam van verzoekster] de ruimte en rust geven die zij nu nodig heeft.

De beoordeling

Allereerst moet de kinderrechter beoordelen of [voornaam van verzoekster] ontvankelijk is in haar verzoek. Op grond van artikel 1:265d lid 2 van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW) kan een minderjarige ouder dan twaalf de GI verzoeken de uithuisplaatsing wegens gewijzigde omstandigheden te beëindigen. Dit verzoek is op 21 augustus 2018 aan de GI gedaan, waarop [voornaam van verzoekster] geen reactie heeft ontvangen van de GI. Gelet hierop acht de kinderrechter [voornaam van verzoekster] ontvankelijk in haar verzoek.
De volgende vraag is of [voornaam van verzoekster] het verzoekschrift tegen de juiste wederpartij heeft gericht. Wat er ook zij van de vraag naar de consequenties van een onjuiste vermelding van de wederpartij, overweegt de kinderrechter als volgt. Uit het systeem van de wet volgt dat een machtiging door de GI wordt uitgevoerd, de Raad voor de Kinderbescherming is niet belast met de uitvoering van een ondertoezichtstelling. [voornaam van verzoekster] heeft dus het verzoek tot de juiste wederpartij gericht.
De kinderrechter moet verder beoordelen of er gewijzigde omstandigheden zijn waardoor een uithuisplaatsing niet langer noodzakelijk is in het belang van de verzorging en opvoeding van de minderjarige en het belang van de minderjarige zich tegen beëindigen niet verzet. [voornaam van verzoekster] wil graag bij haar tante geplaatst worden en niet in [locatie 1] . De kinderrechter merkt op dat het in het algemeen is het wenselijker om een kind bij zijn/haar familie te plaatsen, maar als de familieleden juist onderdeel vormen van de reden waarom een kind uit huis is geplaatst, dan is dat niet de juiste oplossing. In de familie van [voornaam van verzoekster] heeft iedereen, inclusief [voornaam van verzoekster] zelf, een eigen visie op wat goed voor [voornaam van verzoekster] zou zijn. Er wordt veelal negatief over elkaar en elkaars ideeën gesproken. Het is van belang dat [voornaam van verzoekster] op een neutrale plek gaat wonen, zodat zij een goed en reëel beeld kan ontwikkelen over haar familieleden en zo de positieve én negatieve eigenschappen van deze personen leert kennen.
De GI heeft wel éénmalig met tante gesproken, maar hieruit bleek dat ook tante niet voldoende neutraal is in het conflict tussen ouders en oma. De GI alsook de Raad begrijpen dat [locatie 1] niet een ideale plek is voor [voornaam van verzoekster] en dat, ook gezien de wens van [voornaam van verzoekster] , een pleeggezin het beste zou zijn. Er is binnen afzienbare tijd echter geen plek beschikbaar voor [voornaam van verzoekster] in een pleeggezin, zodat op termijn [locatie 2] de beste plek is.
Op grond van het vorenstaande is de kinderrechter van oordeel dat tante niet de juiste plek is voor [voornaam van verzoekster] om te wonen, aangezien ook zij niet neutraal is in de strijd tussen de ouders en oma.

De beslissing

De kinderrechter:
wijst het verzoek af.
Deze beschikking is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 19 oktober 2018 door mr. E.A.A. van Kalveen, kinderrechter, in tegenwoordigheid van mr. M. Hoogeveen-van de Vrede als griffier.