Uitspraak
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
[naam minderjarige](hierna: [voornaam van minderjarige] ), geboren op [geboortedatum] 2004 te [geboorteplaats] ,
Rechtbank Midden-Nederland
De rechtbank Midden-Nederland behandelde het verzoek van de man tot ontkenning van het vaderschap van een minderjarige geboren in 2004. Uit DNA-onderzoek bleek dat de man niet de biologische vader is. De kern van het geschil betrof de vraag of het verzoek tot ontkenning van het vaderschap tijdig was ingediend volgens Marokkaans recht.
De rechtbank stelde vast dat de Mudawwana, het Marokkaanse familierecht, geen expliciete termijn bevat voor het indienen van een dergelijk verzoek. Wel volgt uit Nederlandse jurisprudentie dat een man direct na het ontstaan van twijfels over zijn vaderschap een ontkenningsprocedure moet starten. De rechtbank achtte deze termijn ook op grond van een noot bij artikel 153 van Pro de Mudawwana van toepassing, waarin wordt gesteld dat ontkenning van het vaderschap onmiddellijk na de geboorte moet plaatsvinden.
De man stelde pas tien maanden na het bekend worden van de geboorte van de minderjarige zijn verzoek in, waardoor de rechtbank hem niet-ontvankelijk verklaarde. De proceskosten werden gecompenseerd, waarbij de moeder werd veroordeeld tot betaling van de helft van de door de man betaalde DNA-kosten van € 530,00.
De beschikking werd uitgesproken door kinderrechter E.A.A. van Kalveen op 18 oktober 2018 in Utrecht.
Uitkomst: De man is niet-ontvankelijk verklaard in zijn verzoek tot ontkenning van het vaderschap wegens overschrijding van de termijn volgens Marokkaans recht.