De zaak betreft het beroep tegen het besluit van de gemeente De Bilt om een omgevingsvergunning te verlenen voor het plaatsen van een 30 meter hoge antennemast ten behoeve van mobiele communicatie. Eisers stelden dat de afwijkingsbevoegdheid van de beheersverordening niet toegepast had mogen worden, dat alternatieve locaties onvoldoende waren onderzocht en dat het beleid in voorbereiding niet in acht was genomen.
De rechtbank overweegt dat de afwijkingsbevoegdheid in de beheersverordening niet in strijd is met artikel 3.38 van de Wet ruimtelijke ordening. De vergunning is verleend binnen de beleidsvrijheid van het college en de belangenafweging is zorgvuldig gemotiveerd. De rechtbank vindt dat verweerder terecht geen rekening hoefde te houden met het nog niet in werking getreden antennebeleid.
Verder is voldoende onderbouwd dat er geen alternatieve locaties of site-sharing mogelijk zijn die een gelijkwaardig resultaat met minder bezwaren opleveren. De belangenafweging houdt rekening met het belang van een goed functionerend mobiel netwerk en de impact op de woonomgeving wordt niet als onacceptabel beoordeeld.
Ook het welstandsadvies is gevolgd en eiser heeft geen tegenadvies geleverd. De rechtbank verklaart de beroepen ongegrond en wijst proceskosten af. Tegen deze uitspraak staat hoger beroep open bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.