ECLI:NL:RBMNE:2018:5762
Rechtbank Midden-Nederland
- Eerste aanleg - meervoudig
- Rechtspraak.nl
Uitstel van voorwaardelijke invrijheidstelling wegens ongeoorloofde afwezigheid en weigering behandeling
De veroordeelde is veroordeeld tot een gevangenisstraf van zes jaar, waarvan de uitvoering startte op 16 maart 2015, met een geplande voorwaardelijke invrijheidstelling op 15 maart 2019. Na verlof van 11 tot 12 mei 2018 keerde hij niet terug naar de inrichting en saboteerde zijn enkelband, waardoor hij niet meer te traceren was.
De reclassering meldde ernstige problemen op vrijwel alle leefgebieden en benadrukte het belang van behandeling en begeleiding om recidive te voorkomen. De veroordeelde gaf aan zelfstandig te willen leven zonder hulp of begeleiding.
De officier van justitie verzocht om uitstel van de voorwaardelijke invrijheidstelling met 120 dagen vanwege de voortvluchtigheid van de veroordeelde. De verdediging betwistte de duur van het uitstel en stelde een kortere termijn voor.
De rechtbank oordeelde dat de ongeoorloofde afwezigheid een zelfstandige grond vormt voor uitstel op grond van artikel 15d Wetboek van Strafrecht. Gezien de onduidelijkheid over de verblijfplaats en de noodzaak van voorwaarden bij terugkeer, wees de rechtbank het verzoek van de officier van justitie toe en stelde de invrijheidstelling uit met 120 dagen.
Uitkomst: De voorwaardelijke invrijheidstelling wordt uitgesteld met 120 dagen wegens ongeoorloofde afwezigheid en weigering tot medewerking.