De huurder van een zelfstandige woonruimte op de eerste etage van een pand heeft de huurcommissie gevraagd de redelijkheid van de overeengekomen huurprijs van €700 per maand te beoordelen. De huurcommissie stelde de huurprijs vast op €339,11 per maand, gebaseerd op een puntenaantal van 72, waarbij de WOZ-waarde werd berekend op de wettelijk voorgeschreven minimumwaarde van €40.480, omdat geen aparte WOZ-beschikking voor de woonruimte aanwezig was.
Verhuurder betwistte dit en stelde dat de WOZ-waarde hoger was, namelijk €244.000, en dat daarmee een hogere huurprijs gerechtvaardigd was. De kantonrechter oordeelde dat het aanslagbiljet van 2018 met hogere WOZ-waarden niet relevant was voor het peilmoment van de huurprijs (1 oktober 2016) en dat verhuurder onvoldoende bewijs had geleverd voor het bestaan van aparte WOZ-beschikkingen voor de woonruimte op dat moment.
De kantonrechter bevestigde dat de huurcommissie terecht was uitgegaan van de wettelijk voorgeschreven minimumwaarde voor de WOZ-waarde en stelde de huurprijs daarom vast op €339,11 per maand met ingang van 1 oktober 2016. Daarnaast werd verhuurder veroordeeld tot terugbetaling van te veel betaalde huur met wettelijke rente, en werd de vordering van verhuurder tot handhaving van de hogere huurprijs afgewezen.