ECLI:NL:RBMNE:2018:5829

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
29 november 2018
Publicatiedatum
28 november 2018
Zaaknummer
UTR 18/3116
Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6, tweede en derde lid HabitatrichtlijnArtikel 8:81 AwbWet natuurbescherming
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek voorlopige voorziening tegen vergunning Wet natuurbescherming wegens ontbreken spoedeisend belang

Op 20 november 2018 behandelde de voorzieningenrechter van de rechtbank Midden-Nederland vier verzoeken om voorlopige voorziening tegen vergunningen verleend door Gedeputeerde Staten krachtens de Wet natuurbescherming. Verzoekers stelden dat bij de vergunningverlening onvoldoende rekening was gehouden met de gevolgen voor stikstofgevoelige Natura 2000-gebieden, mede in het licht van het Programma Aanpak Stikstof (PAS) en een recent arrest van het Hof van Justitie.

De voorzieningenrechter overwoog dat het PAS mogelijk aanpassing behoeft en verwees naar een nader te behandelen zaak bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. In twee zaken werd de voorlopige voorziening wel toegewezen, maar in de onderhavige zaak wees de voorzieningenrechter het verzoek af wegens het ontbreken van spoedeisend belang.

Dit omdat de vergunninghouder schriftelijk had aangegeven geen gebruik te zullen maken van de vergunning zolang deze niet onherroepelijk is, mede op verzoek van de financier. Daarnaast was voor de ontwikkeling ook een omgevingsvergunning nodig, die pas wordt aangevraagd bij duidelijkheid over de Wnb-vergunning. Verzoekers kunnen een nieuw verzoek indienen als de vergunninghouder toch gebruik gaat maken van de vergunning.

De voorzieningenrechter concludeerde dat het spoedeisend belang ontbrak en wees het verzoek af. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd. De uitspraak is gedaan door voorzieningenrechter E.M. van der Linde op 29 november 2018 en is niet vatbaar voor hoger beroep.

Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening wordt afgewezen wegens het ontbreken van spoedeisend belang.

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: UTR 18/3116
uitspraak van de voorzieningenrechter van 29 november 2018 op het verzoek om voorlopige voorziening in de zaak tussen
Coöperatie Mobilisation for the Environment U.A. en Vereniging Leefmilieu, te Nijmegen, verzoekers
(gemachtigde: mr. V. Wösten),
en
Gedeputeerde Staten van Gelderland, verweerder
(gemachtigde: mr. H.J.M. Besselink).
Als derde-partij heeft aan het geding deelgenomen:
Maatschap [derde-partij], te [woonplaats] , gemachtigde: ing. R.B.M. Aagten.

Procesverloop

Bij besluit van 14 september 2017 heeft verweerder aan Maatschap [derde-partij] vergunning krachtens de Wet natuurbescherming (Wnb) verleend voor het wijzigen van een pluimveehouderij aan de [adres] te [woonplaats] .
Verzoekers hebben tegen het bestreden besluit beroep ingesteld bij de rechtbank Gelderland alsmede de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen. De rechtbank Gelderland heeft bij brief van 15 augustus 2018 zowel het beroep als het verzoek om een voorlopige voorziening ter verdere behandeling doorgezonden naar de rechtbank Midden Nederland. Het beroep is bij de rechtbank in behandeling onder nummer UTR 2018/3118 en het verzoek om een voorlopige voorziening onder nummer UTR 18/3116.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 20 november 2018. Verzoekers zijn verschenen bij hun gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde, bijgestaan door mr. M.E. de Boer en mr. P.F.H.A. Tillie. Derde-partij is niet verschenen.

Overwegingen

1. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet.
2. De voorzieningenrechter treft op grond van artikel 8:81, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht alleen een voorlopige voorziening als onverwijlde spoed dat vereist.
3. De voorzieningenrechter stelt vast dat derde-partij bij brief van 12 november 2018 de rechtbank heeft meegedeeld dat met de realisering van vergunde opzet zal worden gewacht totdat er sprake is van een onherroepelijke vergunning. Die zekerheid wenst derde-partij zelf, maar wordt ook geëist door de financier. Verder heeft derde-partij meegedeeld dat voor de beoogde ontwikkeling naast een vergunning in het kader van de Wnb ook een omgevingsvergunning nodig is voor de onderdelen ‘bouwen’ en ‘milieu’. Een aanvraag voor die vergunning zal pas worden ingediend als er duidelijkheid is omtrent de vergunning in het kader van de Wnb.
4. Gelet op hetgeen door derde-partij is meegedeeld stelt de voorzieningenrechter vast dat derde-partij geen gebruik zal maken van de in geding zijnde vergunning zolang deze niet onherroepelijk is. Nu evident geen sprake is van een onherroepelijke vergunning krachtens de Wnb en derde-partij van die vergunning dus geen gebruik zal maken in afwachting van de uitkomst van de (hoger)beroepsprocedure, ziet de voorzieningenrechter geen aanleiding om spoedeisend belang aan te nemen. In hetgeen verzoekers hebben aangevoerd, ziet de voorzieningenrechter geen aanleiding om anders te oordelen, temeer niet nu verzoekers een nieuw verzoek om een voorlopige voorziening kunnen indienen, indien zij menen dat derde-partij in weerwil van de gedane toezegging toch gebruik gaat maken van de verleende vergunning en niet meer wenst te wachten op de onherroepelijkheid van die vergunning.
5. Nu het spoedeisend belang bij het treffen van een voorlopige voorziening ontbreekt, wijst de voorzieningenrechter het verzoek daarom af.
6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. E.M. van der Linde, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van W.B. Lakeman, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 29 november 2018.
griffier voorzieningenrechter
Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.