Uitspraak
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
Maatschap [derde-partij] ,te [woonplaats] , gemachtigde: N. ten Voorde.
Rechtbank Midden-Nederland
Op 20 november 2018 behandelde de voorzieningenrechter van de rechtbank Midden-Nederland vier verzoeken om voorlopige voorzieningen tegen vergunningen verleend krachtens de Wet natuurbescherming voor wijzigingen aan diverse veehouderijen. Verzoekers stelden dat bij de vergunningverlening onvoldoende rekening was gehouden met de gevolgen voor stikstofgevoelige Natura 2000-gebieden, mede in het licht van het Programma Aanpak Stikstof (PAS) en het arrest van het Hof van Justitie van 7 november 2018.
De voorzieningenrechter overwoog dat het PAS mogelijk aanpassing behoeft en dat de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State de zaken zal behandelen op 14 februari 2019. In twee zaken werd schorsing van de vergunningen bevolen, maar in de zaak tegen de vergunning voor de melkrundveehouderij aan een adres te [woonplaats] werd het verzoek afgewezen wegens het ontbreken van spoedeisend belang.
Dit omdat de derde-partij, de vergunninghouder, ter zitting verklaarde geen gebruik te zullen maken van de vergunning zolang deze niet onherroepelijk is, wat ook door de financier wordt geëist. Hierdoor was geen sprake van een onherroepelijke vergunning en geen aanleiding voor een voorlopige voorziening. Verzoekers kunnen een nieuw verzoek indienen als de vergunninghouder toch gebruik maakt van de vergunning.
De voorzieningenrechter wees het verzoek daarom af en veroordeelde partijen niet in de proceskosten. Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.
Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening wordt afgewezen wegens ontbreken van spoedeisend belang.