Na het overlijden van de moeder, die het eenhoofdig gezag over haar minderjarige kind uitoefende, ontstond er een situatie waarin niemand het gezag uitoefende. De oudste zoon van de moeder verzocht de rechtbank hem te belasten met de voogdij over het kind, gebaseerd op de testamentaire aanwijzing van de moeder en met instemming van de vader.
De rechtbank heeft vastgesteld dat de moeder in haar testament duidelijk de wens heeft uitgesproken om haar oudste zoon tot voogd te benoemen. De zoon heeft gedurende de ziekte van de moeder en na haar overlijden zorg gedragen voor het gezin en de praktische zaken geregeld, waaronder het voortzetten van de huurovereenkomst zodat het kind in de vertrouwde omgeving kan blijven.
De Raad voor de Kinderbescherming en de vader hebben geen bezwaar gemaakt tegen het verzoek. De rechtbank concludeert dat het belang van het minderjarige kind niet wordt geschaad door de voogdij toe te wijzen aan de oudste zoon en wijst het verzoek toe. De beschikking is mondeling gegeven en in het openbaar uitgesproken op 15 november 2018.