ECLI:NL:RBMNE:2018:5885

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
30 november 2018
Publicatiedatum
30 november 2018
Zaaknummer
UTR 18/4170
Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:81 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek voorlopige voorziening bouw carwash Almere wegens ontbreken spoedeisend belang

Verzoekers hebben een voorlopige voorziening gevraagd tegen het besluit van het college van burgemeester en wethouders van Almere om een omgevingsvergunning te verlenen voor de bouw van een carwash op een perceel in Almere. De voorzieningenrechter heeft het verzoek beoordeeld op de aanwezigheid van een spoedeisend belang.

Namens de vergunninghouder is verklaard dat de bouwrijpmaak van de grond is gestart, maar dat de feitelijke bouwwerkzaamheden, zoals heien en het slaan van palen, niet eerder dan eind januari 2019 zullen aanvangen. De voorzieningenrechter acht dit voldoende om het spoedeisend belang te ontkennen.

Verder is geoordeeld dat de mogelijkheid om een voorlopige voorziening te treffen niet bedoeld is om de behandeling van de hoofdzaak te versnellen door middel van kortsluiting. Het verzoek is daarom afgewezen. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling. Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.

Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening wordt afgewezen wegens ontbreken van spoedeisend belang.

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: UTR 18/4170
uitspraak van de voorzieningenrechter van 30 november 2018 op het verzoek om voorlopige voorziening in de zaak tussen
1. Autoradam Almere Oost B.V., te Almere,
2. [verzoeker sub 2] , h.o.d.n. “ [naam] ”, te [vestigingsplaats] ,
3. NRGValue Tankstations Nederland B.V., te Rotterdam,
4. De Haan Minerale Oliën B.V., te Oosterhout , verzoekers
(gemachtigde: mr. E. Braad),
en
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Almere, verweerder
(gemachtigde: mr. C. Haan en D. Mulders).
Als derde-partij heeft aan het geding deelgenomen:
Carwash Hogering B.V., gemachtigde: mr. P.W.M. Huisman.

Procesverloop

Bij besluit van 21 februari 2017 (het primaire besluit) heeft verweerder met toepassing van de in het bestemmingsplan Bedrijvenpark Gooise Poort 2V opgenomen regels over afwijking van het plan een omgevingsvergunning verleend voor het bouwen van een carwash op het perceel Transistorstraat 115 te Almere en het plaatsen van handelsreclame.
Bij besluit van 13 februari 2018 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van verzoekers, onder aanvulling van de motivering, ongegrond verklaard.
Verzoekers hebben tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Verzoekers hebben de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 16 november 2018. Namens verzoekers zijn de heer [A] (namens Autoradam Almere Oost B.V.) en de heer [B] verschenen, bijgestaan door hun gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigden, bijgestaan door de heer ing. [C] . Namens de derde-partij (vergunninghouder) zijn mevrouw [D] en de heer [E] verschenen, bijgestaan door hun gemachtigde.

Overwegingen

1. De voorzieningenrechter treft op grond van artikel 8:81, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) alleen een voorlopige voorziening als "onverwijlde spoed" dat vereist.
2. De voorzieningenrechter is van oordeel dat verzoekers geen spoedeisend belang hebben. Namens vergunninghouder is op de zitting namelijk verklaard dat inmiddels is gestart met het bouwrijp maken van de grond, maar dat nog niet is gestart met heien of het slaan van palen. Tevens is namens vergunninghouder verklaard dat de bouwwerkzaamheden niet eerder dan eind januari 2019 zullen starten. Er bestaat geen aanleiding om op voorhand te oordelen dat vergunninghouder zich niet aan die verklaring zal houden. Indien vergunninghouder desondanks al eerder een aanvang zou maken met de bouwactiviteiten, kunnen verzoekers, zolang de bodemprocedure nog loopt, bij deze rechtbank een nieuw verzoek om voorlopige voorziening indienen.
3. De voorzieningenrechter ziet geen reden om direct uitspraak te doen op het beroep. De mogelijkheid om hangende beroep een verzoek om voorlopige voorziening te doen, is niet bedoeld om door middel van zogenoemde “kortsluiting” de behandeling van de hoofdzaak te versnellen.
4. De voorzieningenrechter wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. drs. R. in 't Veld, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. R.N. van Dijk, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 30 november 2018.
griffier voorzieningenrechter
Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.