Uitspraak
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
uitspraak van de meervoudige kamer van 29 november 2018 in de zaak tussen
Coöperatieve Producentenorganisatie Nederlandse Vissersbond U.A., te Emmeloord,
De Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, verweerder
Procesverloop
Overwegingen
Zowel de eidereend als de zwarte zee-eend kennen een zeer groot verspreidingsgebied en deze soorten zullen zich met name concentreren op locaties met een hoger voedselaanbod zoals schelpdierbanken. Er is volgens de stellingen in de PB[passende beoordeling, rechtbank]
geen specifieke overlap tussen schelpdiervisserij en concentraties vogels. Tevens is in de voorgaande Nb-wet vergunning voor deze visserij als voorschrift vastgelegd dat grote groepen vogels binnen de betrokken Natura 2000-gebieden niet mogen worden verstoord. Gelet op het grote verspreidingsgebied van op zee voorkomende vogelsoorten en het geringe oppervlak dat hiervan op een bepaald moment wordt verstoord door garnalenschepen, is het niet te verwachten dat de garnalenvisserij grote effecten heeft op de draagkracht van Natura 2000 gebieden. Hierbij merk ik wel op dat het vanuit de relevante instandhoudingsdoelstellingen in relatie tot de resteffecten van deze verstoring noodzakelijk kan zijn om specifieke voorkomens van de zwarte zee-eend en secundair de eidereend, additioneel te beschermen vanwege met name de slechte staat van instandhouding van de zwart zee-eend. Waar relevant is/zal dit middels een TBB[toegangsbeperkingsbesluit, rechtbank]
gereguleerd worden.”
In relatie tot de handkokkel-, spisula- en ensisvisserij ben ik van mening dat enige fysieke overlap aanwezig kan zijn met de spisula- en ensisvisserij. De spisulavisserij vindt momenteel evenwel niet plaats binnen de relevante Natura 2000 gebieden en de ensisvisserij is zeer beperkt van omvang en sorteert, met in acht name van de gestelde vergunningvoorschriften, geen significante effecten op de relevante instandhoudingsdoelen. De overlap in garnalenvisserij en ensisvisserij, welke enkel op grote ensisexemplaren vist, beslaat ruimtelijk een klein oppervlakte waardoor, ook cumulatief, op voorhand kan worden uitgesloten dat er wezenlijke aantasting van de instandhoudingsdoelen zal optreden.”
In dit verband merk ik wel op dat het vanuit de te bereiken instandhoudingsdoelstelling voor de zwarte zee-eend het desalniettemin, vanuit het voorzorgsbeginsel en het nog niet bereikte doel qua draagkracht, noodzakelijk kan zijn om middels een daarop gerichte toegangsbeperking binnen de betrokken Natura 2000-gebieden, extra rust en bereikbaarheid van voedsel voor deze soort te realiseren.”