ECLI:NL:RBMNE:2018:6105
Rechtbank Midden-Nederland
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing dwangakkoord wegens niet te goeder trouw handelen bij verkoop verpand goed
Verzoekers hebben een verzoek ingediend tot vaststelling van een dwangakkoord op grond van artikel 287a Faillissementswet om schuldeisers te dwingen in te stemmen met een aangeboden schuldregeling. De totale schuldenlast bedroeg circa €353.823, waarvan een gering percentage toebehoorde aan de weigerende schuldeisers. Eén van deze schuldeisers, een privépersoon, had een vordering van ongeveer €8.871,62 met pandrecht op houtbewerkingsmachines. Verzoekers verkochten deze machines zonder toestemming en droegen de opbrengst niet aan de pandhouder af, maar gebruikten het bedrag voor andere schulden.
De rechtbank oordeelde dat verzoekers niet konden aantonen dat zij toestemming hadden voor de verkoop en dat zij niet te goeder trouw hadden gehandeld, wat een vereiste is voor toewijzing van een WSNP-verzoek. Ondanks het geringe aandeel van de vordering van de pandhouder, prevaleerde diens belang vanwege de ernstige benadeling. De rechtbank concludeerde dat de weigering van instemming met het akkoord door deze schuldeiser gerechtvaardigd was en wees het verzoek tot dwangakkoord af.
Het verzoek tot toepassing van de wettelijke schuldsaneringsregeling werd niet inhoudelijk beoordeeld en blijft onderwerp van een separaat besluit. De rechtbank zag geen aanleiding tot proceskostenveroordeling.
Uitkomst: Het verzoek tot vaststelling van het dwangakkoord wordt afgewezen wegens niet te goeder trouw handelen door verkoop van verpand goed zonder afdracht aan pandhouder.