Uitspraak
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
“ [naam] ”,
Rechtbank Midden-Nederland
In januari 2017 liep mevrouw A letsel op bij een verkeersongeval. Zij droeg haar belangen over aan een belangenbehartiger die namens haar de verzekeraar ASR aansprakelijk stelde. ASR erkende aansprakelijkheid en betaalde een schadevergoeding van € 8.000,00 plus € 3.500,00 aan buitengerechtelijke kosten. De belangenbehartiger vond dit bedrag te laag en vorderde een aanvullend bedrag, stellende recht te hebben op een specialistentarief van € 350 per uur voor alle werkzaamheden.
ASR verweerde zich door te stellen dat de zaak eenvoudig was, zonder discussie over aansprakelijkheid of schadeomvang, en dat de buitengerechtelijke kosten reeds redelijk waren vergoed. De kantonrechter oordeelde dat de dubbele redelijkheidstoets van artikel 6:96 BW Pro vereist dat de kosten redelijk en noodzakelijk zijn, wat in deze zaak niet het geval was gezien de eenvoud en korte duur van de afwikkeling.
De kantonrechter vond het hoge specialistentarief ongepast, vooral omdat ook eenvoudige werkzaamheden en reistijd tegen dat tarief werden gedeclareerd. Ook ontbrak aantoonbare kwaliteitsborging van de specialist. De vordering tot aanvullende vergoeding werd daarom afgewezen en de belangenbehartiger werd veroordeeld in de proceskosten.
Uitkomst: De vordering tot aanvullende vergoeding buitengerechtelijke kosten wordt afgewezen en eiser wordt veroordeeld in de proceskosten.