De rechtbank Midden-Nederland heeft op 31 juli 2018 uitspraak gedaan in de zaak tegen verdachte die ervan werd verdacht opzettelijk behulpzaam te zijn geweest bij het telen van hennep in haar woning. De tenlastelegging betrof het ter beschikking stellen van haar woning voor de teelt van 92 hennepplanten in de periode van 15 mei tot en met 15 juni 2014.
Verdachte werd tevens beschuldigd van medeplichtigheid aan diefstal van elektriciteit door het manipuleren van de elektriciteitsmeter in haar woning. De rechtbank oordeelde dat onvoldoende bewijs bestond voor deze medeplichtigheid en sprak verdachte hiervan vrij. Verdachte had een bekennende verklaring afgelegd over de hennepteelt en de verdediging had geen vrijspraak bepleit voor dit feit.
De rechtbank achtte het bewezen dat verdachte opzettelijk gelegenheid had verschaft voor de hennepteelt. Bij de strafoplegging werd rekening gehouden met de ernst van het feit, de persoon van verdachte, haar openheid en spijtbetuiging, en de overschrijding van de redelijke termijn. De rechtbank legde een geheel voorwaardelijke geldboete van € 500,- op met een proeftijd van één jaar.