Eiser heeft een perceel gekocht waarop een geriefbosje en een ringsloot aanwezig waren. In 2016 verwijderde hij het bosje en dempte de sloot zonder vergunning. Het college van GS wees het verzoek om ontheffing voor het dempen van de sloot af omdat dit de landschappelijke en cultuurhistorische waarden aantast. Het college van B&W legde een last onder dwangsom op om de overtreding te beëindigen door het geriefbosje te herstellen.
Eiser voerde aan dat de sloot geen ringsloot maar een dwarssloot was en dat zijn agrarisch belang onvoldoende was meegewogen. De rechtbank volgde het deskundigenadvies dat het een ringsloot betrof en oordeelde dat de wet geen ruimte biedt voor afweging van agrarische belangen bij ontheffing. Ook was de last onder dwangsom aanvankelijk onvoldoende concreet omschreven, maar na wijziging was deze duidelijk.
De rechtbank verwierp het beroep op het gelijkheidsbeginsel omdat geen vergelijkbare situatie bestond. De beroepen werden ongegrond verklaard, maar het college van B&W werd veroordeeld tot vergoeding van proceskosten en griffierecht vanwege de aanvankelijke onduidelijkheid van de last.