Eiser heeft tussen juli en oktober 2017 in totaal €36.415,17 overgemaakt naar de bankrekening van onderbewindgestelde, op verzoek via WhatsApp met de belofte van terugbetaling. Onderbewindgestelde stelt dat zij het geld niet hoeft terug te betalen omdat zij zelf slachtoffer zou zijn van fraude door haar moeder en stiefvader die haar rekening en telefoonnummer gebruikten zonder haar medeweten.
De rechtbank concludeert dat onderbewindgestelde niet heeft aangetoond dat eiser het geld van haar rekening heeft gehaald. De gebruikte bankpas en bankafschriften wijzen erop dat dit ongeloofwaardig is. Vervolgens overweegt de rechtbank dat er sprake is van oplichting, omdat het geld onder valse voorwendselen is gevraagd en nooit de intentie was om terug te betalen. Dit wordt ondersteund door inconsistenties in de opgegeven redenen voor de betalingen en het ontbreken van bewijs voor een lening.
De rechtbank oordeelt dat onderbewindgestelde het bedrag van €36.215,17 aan eiser moet terugbetalen, vermeerderd met wettelijke rente vanaf 1 december 2017. Daarnaast worden buitengerechtelijke incassokosten van €1.137,15, beslagkosten van €775,95 en proceskosten van €2.076,98 toegewezen aan eiser. Het vonnis is uitvoerbaar bij voorraad en het meer of anders gevorderde wordt afgewezen.