Uitspraak
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
1.De procedure
- het wrakingsverzoek van verzoekster van 30 december 2018;
- de schriftelijke reactie van mr. P.S. Elkhuizen-Koopmans van 7 januari 2019.
Vrijdag webinar: live demo van Lexboost
Rechtbank Midden-Nederland
Verzoekster diende een wrakingsverzoek in tegen de behandelend rechter in een civiele zaak, stellende dat de rechter de wet had tegengesproken, correspondentie had genegeerd en feiten had verdraaid. Tevens werd gewezen op vermeende oneerlijke handelspraktijken van GroenWest en werd een schadevergoeding geëist.
De wrakingskamer onderzocht het verzoek aan de hand van artikel 36 Rv Pro, waarbij onpartijdigheid van de rechter centraal staat. Er werd vastgesteld dat geen feiten of omstandigheden waren gesteld die duidden op persoonlijke vooringenomenheid van de rechter jegens verzoekster. De rechter werd geacht onpartijdig te zijn totdat het tegendeel was bewezen.
Ook werd beoordeeld of de vrees van verzoekster voor partijdigheid objectief gerechtvaardigd was. De kamer oordeelde dat de gedragingen en uitlatingen van de rechter tijdens de zitting geen aanwijzingen gaven voor partijdigheid. Het verzoek tot wraking werd daarom ongegrond verklaard. Tevens werd opgemerkt dat het indienen van een tegenvordering in een wrakingsprocedure niet mogelijk is.
De wrakingskamer bepaalde dat de zaak van verzoekster voortgezet wordt in de stand waarin deze zich bevond ten tijde van de schorsing vanwege het wrakingsverzoek. Tegen deze beslissing staat geen rechtsmiddel open.
Uitkomst: Het verzoek tot wraking van de rechter wordt ongegrond verklaard wegens gebrek aan partijdigheid of vooringenomenheid.