Uitspraak
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
1.[B] ,
[C],
1.Inleiding
2.Beoordeling
480,00
Rechtbank Midden-Nederland
De zaak betreft een huurgeschil na het beëindigen van een relatie tussen hoofdhuurder [B] en haar partner [C], die samenwoonden in een woning van verhuurder [A]. [B] had de woning gehuurd en betaalde huur aan [A]. Na het beëindigen van hun relatie vertrok [B], maar [C] bleef achter en betaalde huur aan [B], die de huur aan [A] bleef voldoen. Dit leidde tot een feitelijke onderhuursituatie.
In december 2018 zegde [B] de huurovereenkomst op per 1 februari 2019, waarna zij geen huur meer betaalde. [A] wilde de woning verkopen vanwege het aflopen van de hypotheek. [A] vorderde ontruiming van [B] en [C] en betaling van huur. [B vorderde op haar beurt ontruiming van [C].
De kantonrechter oordeelde dat de situatie van [C] als onderhuurder van korte duur kwalificeert, waardoor de gewone huurbescherming niet van toepassing is. De opzegging van [B] geldt als opzegging van de onderhuur, waardoor [C] de woning binnen zes weken moet verlaten. [B] is gehouden tot betaling van huur vanaf 1 februari 2019 tot aan ontruiming. Proceskosten worden aan [C] en [B] opgelegd in de procedure tegen [A], terwijl tussen [B] en [C] de kosten worden gecompenseerd. De vorderingen tot dwangsom en machtiging tot ontruiming worden afgewezen.
Uitkomst: De kantonrechter veroordeelt de onderhuurder tot ontruiming binnen zes weken en de hoofdhuurder tot betaling van huur vanaf opzegdatum tot ontruiming.