ECLI:NL:RBMNE:2019:1861
Rechtbank Midden-Nederland
- Kort geding
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verzoek tot schorsing executie ontruiming onzelfstandige woonruimte
De zaak betreft een executiegeschil tussen een huurder van onzelfstandige woonruimte en de verhuurder, een coöperatie die de ontruiming van het gehuurde heeft laten bevelen. De huurder vordert primair een verbod op executie en subsidiair een tijdelijk verbod, stellende dat de onderhuurbescherming van artikel 7:269 BW Pro analoog moet worden toegepast en dat ontruiming onaanvaardbare gevolgen voor hem heeft.
De kantonrechter stelt vast dat het vonnis tot ontruiming rechtmatig is en dat artikel 7:269 BW Pro niet van toepassing is op onzelfstandige woonruimte, noch analoog kan worden toegepast. De huurder heeft zijn stellingen over onaanvaardbare gevolgen onvoldoende onderbouwd. Bovendien is de ontruimingstermijn niet onredelijk kort, mede omdat de bewoners hierover op een bewonersavond zijn geïnformeerd.
Gelet op het ontbreken van misbruik van recht door de verhuurder en het ontbreken van een redelijk belang bij schorsing van de executie, wordt het verzoek van de huurder afgewezen. De huurder wordt veroordeeld in de proceskosten. Het vonnis is uitvoerbaar bij voorraad.
Uitkomst: Het verzoek tot schorsing van de executie van het ontruimingsvonnis wordt afgewezen.