Uitspraak
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
uitspraak van de meervoudige kamer van 8 maart 2019 in de zaak tussen
Orion Corporation, te Espoo, Finland, eiseres
het College ter beoordeling van geneesmiddelen, verweerder
Teva Nederland B.V., te Haarlem, gemachtigden: mr. O.P. Swens en mr. C. van der Beek.
Procesverloop
Overwegingen
In artikel 10 van Pro Richtlijn 2001/83 is bepaald dat de aanvrager van een handelsvergunning niet verplicht is om de resultaten van preklinische en klinische proeven over te leggen voor generieke geneesmiddelen als hij kan aantonen dat het geneesmiddel generiek is ten opzichte van een referentiegeneesmiddel waarvoor ten minste acht jaar in een lidstaat of de Europese Unie een handelsvergunning is verleend (periode van dossierbescherming). Het generieke geneesmiddel mag pas na 10 jaar na het verlenen van de handelsvergunning voor het referentiegeneesmiddel in de handel worden gebracht (periode van marktexclusiviteit).
Relativiteit
Standpunten van partijen
Voor de berekening van de periode van dossierbescherming en marktexclusiviteit van het referentiegeneesmiddel Dexdor moet de datum van toelating van Precedex worden genomen, te weten 1 mei 2004. Dit is zo omdat Dexdor en Precedex tot dezelfde GMA behoren. De periode van dossierbescherming en marktexclusiviteit is dus verlopen.
Verder is het niet aan verweerder om, nadat de RMS heeft vastgesteld dat algehele instemming is bereikt, nogmaals een zelfstandig onderzoek te doen naar de juistheid van het oordeel van de RMS. Alleen onder bijzondere omstandigheden kan zij vanwege een risico voor de volksgezondheid de algehele instemming betwisten of overdoen.
Kern van het geschil
De kern van het geschil concentreert zich op de vraag of de handelsvergunning van Precedex in overeenstemming met het Unierecht is. En dus of er voor de dossierbescherming en marktexclusiviteit van toelating van Precedex uitgegaan mag worden. Daaruit vloeien de andere geschilpunten in deze zaak voort.
De beoordeling van de rechtbank
“Artikel 10 van Pro richtlijn 2001/83, zoals gewijzigd bij richtlijn 2012/26, gelezen in samenhang met artikel 47 van Pro het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie, moet aldus worden uitgelegd dat een rechterlijke instantie van een bij een gedecentraliseerde procedure voor het verlenen van een vergunning voor het in de handel brengen betrokken lidstaat, waarbij door de houder van de vergunning voor het in de handel brengen van het referentiegeneesmiddel beroep is ingesteld tegen de beslissing van de bevoegde autoriteit van die lidstaat om een vergunning te verlenen voor het in de handel brengen van een generiek geneesmiddel in die lidstaat, bevoegd is om de vaststelling van de aanvangsdatum van de periode van gegevensbescherming van het referentiegeneesmiddel te toetsen. Die rechterlijke instantie is daarentegen niet bevoegd om na te gaan of de in een andere lidstaat afgegeven oorspronkelijke vergunning voor het in de handel brengen van het referentiegeneesmiddel in overeenstemming met die richtlijn werd verleend.”
Verweerder heeft hierover nog opgemerkt dat dit punt meerdere malen aan de orde is gekomen tijdens de decentrale procedure (voor de aanvraag om een handelsvergunning voor het generieke geneesmiddel van derde-partij) en dat de RMS uitdrukkelijk heeft bevestigd dat de handelsvergunning voor Precedex in overeenstemming met het Unierecht is verleend. De Coordination Group for Mutual Recognition and Decentralised Procedure (human) heeft dit standpunt onderschreven.
In deze zaak heeft de rechtbank vastgesteld dat uit de Toetredingsakte van Tsjechië tot de Europese Unie blijkt dat geen voorbehoud is gemaakt over vóór de toetreding verleende handelsvergunningen voor medicijnen in het algemeen of voor Precedex in het bijzonder. Om die reden ziet de rechtbank geen aanleiding om een onderscheid te maken tussen een door een lidstaat afgegeven handelsvergunning en een handelsvergunning die bij toetreding tot de Europese Unie onderdeel van de unierechtelijke rechtsorde is geworden.
Naar het oordeel van de rechtbank kan dan ook niet gezegd worden dat verweerder slechts heeft vertrouwd op het oordeel van de RMS op dit punt.