Uitspraak
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
1.De procedure
- [schuldenaar] , voornoemd;
- de heer mr. A.W. van Luipen, de advocaat van [schuldenaar] ;
- mevrouw mr. M.C.C. Ording, de bewindvoerder.
Vrijdag webinar: live demo van Lexboost
Rechtbank Midden-Nederland
De rechtbank Midden-Nederland behandelde het verzoek van de bewindvoerder om de schuldsaneringsregeling van de schuldenaar tussentijds te beëindigen op grond van artikel 350 lid 3 sub f Faillissementswet Pro. Dit verzoek volgde op een strafrechtelijke veroordeling van de schuldenaar, die hij tijdens de toelatingszitting niet had gemeld.
De rechtbank oordeelde dat de schuldenaar verplicht was de strafrechtelijke procedure te melden bij het toelatingsverzoek, ook zonder specifieke vraag. De feiten en omstandigheden die ten tijde van toelating bestonden, waaronder de strafrechtelijke veroordeling, moesten worden meegewogen bij de beoordeling van het verzoek.
De schulden betroffen grotendeels zakelijke schulden en ontstonden grotendeels vóór het overlijden van de partner van de schuldenaar en de strafrechtelijke veroordeling. De psychische en maatschappelijke gevolgen van het overlijden en de strafprocedure beperkten de mogelijkheden van de schuldenaar, maar leidden niet tot verwijtbare schulden.
De rechtbank concludeerde dat de strafrechtelijke veroordeling en de gevolgen daarvan onvoldoende zwaarwegend waren om het toelatingsverzoek af te wijzen. De schuldenaar kon ondanks de veroordeling aan zijn verplichtingen voldoen. Het verzoek tot tussentijdse beëindiging van de schuldsaneringsregeling werd daarom afgewezen.
Uitkomst: Het verzoek tot tussentijdse beëindiging van de schuldsaneringsregeling wordt afgewezen.