De zaak betreft een beroep tegen de aanslag onroerendezaakbelasting (OZB) gebruik voor het belastingjaar 2017, opgelegd door de gemeente op basis van de Wet WOZ. Na een inpandige opname door taxateurs van beide partijen is vastgesteld dat het aandeel wonen op het object 60,24% bedraagt, wat leidt tot toepassing van het niet-woningtarief. Daarnaast is de woondelenvrijstelling vastgesteld op 72,18%, een ander percentage dan eerder gehanteerd.
Partijen zijn het eens geworden over deze correcties, waardoor het geschil over de aanslag is komen te vervallen. De rechtbank verklaart het beroep gegrond, vernietigt de uitspraak op bezwaar voor zover deze de aanslag OZB-gebruik betreft en vermindert de aanslag naar €1.810,-.
Verder veroordeelt de rechtbank de gemeente tot vergoeding van de proceskosten van eiseres, waaronder de kosten van het taxatierapport en het griffierecht. De totale proceskostenvergoeding bedraagt €2.693,80. De uitspraak vervangt de bestreden uitspraak op bezwaar en is in het openbaar uitgesproken op 16 mei 2019.