Uitspraak
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
1.ONDERZOEK TER TERECHTZITTING
2.TENLASTELEGGING
primair: in de periode van 1 augustus 2018 tot en met 10 augustus 2018 te Veenendaal samen met (een) ander(en) opzettelijk € 1.100,- en mobiele telefoons heeft verworven en/of doorgevoerd en/of voorhanden gehad, terwijl dat geldbedrag en die mobiele telefoons bestemd waren tot het begaan van het opzettelijk en met voorbedachten rade om het leven brengen van [slachtoffer] dan wel opzettelijk en met voorbedachten rade die [slachtoffer] zwaar lichamelijk letsel toe te brengen;
subsidiair: dat hij in de periode van 1 augustus 2018 tot en met 10 augustus 2018 te Veenendaal [medeverdachte 1] en/of [medeverdachte 2] heeft opgelicht door hen te beloven en/of toe te zeggen dat hij [slachtoffer] (opzettelijk en met voorbedachten rade) van het leven zou beroven, waardoor hij voornoemde [medeverdachte 1] en/of [medeverdachte 2] heeft bewogen tot het betalen van € 1.100,-;
3.VOORVRAGEN
4.WAARDERING VAN HET BEWIJS
te beloven en/of toe te zeggen [slachtoffer] (opzettelijk en met voorbedachten rade) om het leven te brengen. De rechtbank gaat er gelet op het dossier van uit dat verdachte de persoon is die zich “ [bijnaam] ” noemt. Het gebruik van deze bijnaam heeft echter geen verband met de afgifte van enig geldbedrag. De rechtbank leidt uit het dossier voorts af dat verdachte nimmer daadwerkelijk van plan is geweest [slachtoffer] van het leven te beroven. Door dit wel aan [medeverdachte 1] en/of [medeverdachte 2] voor te spiegelen heeft verdachte gelogen. Meer dan een enkele leugen kan de rechtbank – voorafgaand aan de afgifte van de € 1.100,- – echter niet vaststellen. Een enkele leugen is onvoldoende om een strafbare overtreding van artikel 326 van Pro het Wetboek van Strafrecht bewezen te achten. De rechtbank zal verdachte hier dan ook van vrijspreken.
5.BEWEZENVERKLARING
6.STRAFBAARHEID VAN DE FEITEN
onder feit 2bewezen verklaarde levert volgens de wet het volgende strafbare feit op:
7.STRAFBAARHEID VAN VERDACHTE
8.OPLEGGING VAN STRAF
9.BENADEELDE PARTIJ
10.TOEPASSELIJKE WETTELIJKE VOORSCHRIFTEN
11.BESLISSING
- verklaart [slachtoffer] niet-ontvankelijk in de vordering en bepaalt dat de vordering kan worden aangebracht bij de burgerlijke rechter;
- veroordeelt de benadeelde partij in de kosten door de verdachte gemaakt, tot op heden begroot op nihil;