Uitspraak
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
1.ONDERZOEK TER TERECHTZITTING
2.TENLASTELEGGING
1 primair: zich op 15 februari 2019 te Utrecht samen met anderen schuldig heeft gemaakt aan afpersing;
1 subsidiair: zich op 15 februari 2019 te Utrecht samen met anderen schuldig heeft gemaakt aan diefstal met geweld;
4 primair: zich op 26 januari 2019 te Utrecht schuldig heeft gemaakt aan openlijk geweld;
4 subsidiair: zich op 26 januari 2019 te Utrecht samen met anderen schuldig heeft gemaakt aan mishandeling;
3. VOORVRAGEN
4.WAARDERING VAN HET BEWIJS
5.BEWEZENVERKLARING
6.STRAFBAARHEID VAN DE FEITEN
7.STRAFBAARHEID VAN VERDACHTE
8.OPLEGGING VAN STRAF
9.BENADEELDE PARTIJEN
10.TOEPASSELIJKE WETTELIJKE VOORSCHRIFTEN
11.BESLISSING
Oplegging straf
24 maanden;
6 maandenniet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders gelast op grond van het feit dat de verdachte de hierna te melden algemene en bijzondere voorwaarden niet heeft nageleefd;
- wijst de vordering van [slachtoffer 1] toe tot een bedrag van
- veroordeelt verdachte hoofdelijk tot betaling aan [slachtoffer 1] van het toegewezen bedrag, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 15 februari 2019 tot aan de dag van volledige betaling, met dien verstande dat indien en voor zover reeds door (een) ander(en) (gedeeltelijk) aan de benadeelde is betaald, verdachte (in zoverre) van deze verplichting zal zijn bevrijd;
- verklaart de benadeelde partij in het resterende gedeelte van vordering niet-ontvankelijk en bepaalt dat hij de vordering voor dat gedeelte bij de burgerlijke rechter aan kan brengen;
- veroordeelt verdachte ook in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil;
- legt verdachte de verplichting op ten behoeve van [slachtoffer 1] aan de Staat € 1.389,54 te betalen, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 15 februari 2019 tot de dag van de algehele voldoening, bij niet betaling aan te vullen met 23 dagen hechtenis;
- bepaalt dat verdachte van zijn verplichting tot het vergoeden van schade is bevrijd als hij en/of (een van) zijn mededader(s) op een van de hiervoor beschreven manieren de schade aan de benadeelde heeft vergoed;
- verklaart [aangever] in zijn vordering
- bepaalt dat [aangever] de vordering bij de burgerlijke rechter aan kan brengen;
- verklaart [B] in zijn vordering
- bepaalt dat [B] de eventuele vordering bij de burgerlijke rechter aan kan brengen.