Uitspraak
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
Samen Veilig Midden-Nederland,
1.Verloop van de procedure
2.Vaststaande feiten
3.Beoordeling van het verzochte
4.De beslissing
[de moeder], over de minderjarige:
Rechtbank Midden-Nederland
De gecertificeerde instelling (GI) verzocht de rechtbank om benoeming tot tijdelijke voogd over een minderjarige op grond van artikel 1:253q en r BW. De minderjarige staat onder toezicht en woont in een pleeggezin met een lopende machtiging tot uithuisplaatsing. De ouders oefenen gezamenlijk het ouderlijk gezag uit, maar de moeder is onvindbaar en niet bereikbaar voor de hulpverlening.
Tijdens de zitting verschenen vertegenwoordigers van de GI en de Raad voor de Kinderbescherming, maar de ouders waren afwezig. De Raad gaf aan dat het verzoek ongebruikelijk is en dat een uitgebreid onderzoek en een verzoek tot gezagsbeëindiging de juiste procedure is. De rechtbank constateerde dat de moeder feitelijk niet in staat is haar gezag uit te oefenen, terwijl de vader weliswaar een verstoorde relatie met de pleegouders heeft, maar niet is gebleken dat hij zijn gezag niet kan uitoefenen.
De rechtbank besloot het verzoek tot voogdij af te wijzen, maar verklaarde het gezag van de moeder van rechtswege geschorst vanwege haar onmogelijkheid het gezag uit te oefenen. Deze schorsing wordt geregistreerd in het gezagsregister en de beschikking is uitvoerbaar bij voorraad.
Uitkomst: Het verzoek tot benoeming van de gecertificeerde instelling tot voogd wordt afgewezen en het gezag van de moeder wordt van rechtswege geschorst.