De rechtbank Midden-Nederland heeft op 20 juni 2019 uitspraak gedaan in een zaak tegen verdachte die werd verdacht van poging tot afpersing, diefstal en het opzettelijk stichten van brand. De feiten vonden plaats in Utrecht en een woonlocatie van het Leger des Heils. De rechtbank achtte de poging tot afpersing, de winkeldiefstal en de brandstichting wettig en overtuigend bewezen, met uitzondering van het gevaar voor levensgevaar en zwaar lichamelijk letsel bij de brandstichting, waarvoor verdachte werd vrijgesproken.
Uit rapportages bleek dat verdachte leed aan schizofrenie, een matig ernstige verstandelijke ontwikkelingsstoornis en een ernstige stoornis in het middelengebruik, ook ten tijde van de feiten. Psychiater en psycholoog adviseerden verminderd toerekeningsvatbaarheid, wat de rechtbank overnam. De reclassering adviseerde een deels voorwaardelijke straf met bijzondere voorwaarden, waaronder opname in een zorginstelling, ambulante behandeling en begeleid wonen.
De rechtbank legde een gevangenisstraf van 16 maanden op, waarvan 10 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 3 jaar. Dit strafdeel is langer dan door de verdediging gevraagd vanwege de ernst van de poging tot afpersing en recidive. De bijzondere voorwaarden zijn gericht op behandeling en begeleiding om recidive te voorkomen. De tijd in voorarrest wordt in mindering gebracht.
De bewezenverklaring omvat dat verdachte op 25 februari 2019 een medewerker van Albert Heijn bedreigde met een mes om geld af te persen, op 22 januari 2019 een sixpack bier stal en op 5 september 2018 brand stichtte in een kamer van het Leger des Heils, waardoor gevaar voor goederen ontstond. Verdachte werd vrijgesproken van het gevaar voor levensgevaar en zwaar lichamelijk letsel bij de brandstichting.
De rechtbank concludeerde dat verdachte strafbaar is en dat de opgelegde straf passend is gelet op de feiten, de persoon van verdachte, de ernst van de feiten en de adviezen van deskundigen en reclassering.