Eiser had zijn wapenverlof ingetrokken gekregen door de politiechef op grond van de Wet wapens en munitie vanwege de kennelijke onbetrouwbaarheid van zijn twee zoons, die mogelijk toegang tot de wapens konden krijgen. De intrekking werd bevestigd door de Minister van Justitie en Veiligheid, waarna eiser beroep instelde bij de rechtbank.
De rechtbank oordeelde dat de onbetrouwbaarheid van de zoons op basis van hun antecedenten en betrokkenheid bij geweldsdelicten met vuurwapens terecht was vastgesteld. Omdat een van de zoons nog toegang had tot de woning en de sleutels van de wapenkluis, kon niet worden uitgesloten dat zij de wapens zouden kunnen bemachtigen, wat een gevaar voor de veiligheid van de samenleving oplevert.
Eiser stelde dat zijn zoons geen sleutel hadden en niet meer thuis woonden en dat hij toestemming had om de wapens in de kluis van de schietvereniging te bewaren. De rechtbank vond echter dat het feit dat eiser als voorzitter zelf toegang had tot deze kluis onvoldoende garanties bood om het risico uit te sluiten.
De rechtbank concludeerde dat het intrekken van het wapenverlof een proportionele maatregel is ter bescherming van de samenleving en dat het verzoek van eiser om extra voorwaarden te stellen niet hoefde te worden ingewilligd. Het beroep werd daarom ongegrond verklaard.