ECLI:NL:RBMNE:2019:282

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
11 januari 2019
Publicatiedatum
28 januari 2019
Zaaknummer
NL18.3344
Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 7:954 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing directe vordering op beroepsaansprakelijkheidsverzekeraar wegens niet tijdige claimmelding

Eiser onderging een laserbehandeling bij een medisch centrum dat een beroepsaansprakelijkheidsverzekering had afgesloten bij VvAA. Na de behandeling ontstond een netvliesloslating, waarvoor eiser het centrum aansprakelijk stelt wegens medisch verwijtbaar handelen.

Het centrum is inmiddels failliet, waardoor eiser rechtstreeks betaling van de verzekeraar VvAA vordert op grond van artikel 7:954 BW Pro. VvAA betwist dit en wijst op de polisvoorwaarden van de claims made-verzekering, die alleen dekking biedt voor claims die tijdens de looptijd zijn gemeld.

Omdat het centrum de claim niet tijdig heeft gemeld en de verzekering eindigde bij het faillissement, heeft het centrum geen vorderingsrecht op de verzekeraar. Hierdoor kan eiser geen rechtstreeks vorderingsrecht ontlenen aan de verzekeraar. De rechtbank wijst de vordering van eiser af en veroordeelt hem in de proceskosten.

Uitkomst: De rechtbank wijst de vordering van eiser af omdat de claim niet tijdig is gemeld binnen de looptijd van de verzekering.

Uitspraak

vonnis

_

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
Civiel recht Zittingsplaats Utrecht zaaknummer: NL18.3344
Vonnis van 11 januari 2019
in de zaak van
[eiser] ,
wonende te [woonplaats] ,
eiser, hierna te noemen: [eiser] , advocaat B. Wernik te Haarlem,
tegen
de naamloze vennootschap
VVAA SCHADEVERZEKERINGEN N.V.,
gevestigd te Utrecht,
verweerster, hierna te noemen: VvAA, advocaat C.I.M. de Haan te Utrecht.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
  • het vonnis in incident van 14 juni 2018, waarbij de incidentele vordering tot verwijzing naar de kantonrechter is afgewezen en een mondelinge behandeling is bepaald;
  • de mondelinge behandeling op 22 november 2018 waarvan de griffier aantekeningen heeft gemaakt;
  • de aantekeningen ten behoeve van de mondelinge behandeling van mr. De Haan.
1.2.
Daarna heeft de rechter beslist dat er uitspraak wordt gedaan.

2.De beoordeling

Inleiding

2.1.
[eiser] heeft op 26 maart 2015 een laserbehandeling ondergaan aan zijn linker oog bij [bedrijfsnaam] B.V. (hierna: [bedrijfsnaam] ). [bedrijfsnaam] had een beroepsaansprakelijkheidsverzekering afgesloten bij VvAA.
Wat is er gebeurd?
2.2.
Na de laserbehandeling kreeg [eiser] last van een zwart vlekje boven in zijn linker oog. De behandelend oogarts van [bedrijfsnaam] heeft dat vlekje op 21 april 2015 ook geconstateerd, maar geen actie ondernomen. [eiser] verwijt hem dat nu. De arts had wel actie moet ondernemen: het bleek om een netvliesloslating te gaan. Dit is [eiser] later door een arts van het VU medisch centrum verteld. Als daaraan meteen wat gedaan zou zijn, zouden de gevolgen minder ernstig zijn geweest dan nu: [eiser] heeft een verlies aan gezichtsvermogen van ongeveer 50%. [eiser] vindt dat [bedrijfsnaam] medisch verwijtbaar heeft gehandeld en aansprakelijk is voor zijn schade.
Wat is het punt?
2.3.
[bedrijfsnaam] is inmiddels failliet. [eiser] wil daarom dat VvAA rechtstreeks aan hem uitkeert. Uit de wet, artikel 7:954 lid 1 en Pro 2 BW, volgt dat een benadeelde rechtstreeks betaling kan vorderen van de verzekeraar. Volgens VvAA kan dit niet. Zij wijst op de verzekeringsvoorwaarden. Daarin is een insolventieclausule opgenomen waarin staat dat de beroepsaansprakelijkheidsverzekering met [bedrijfsnaam] per faillissementsdatum eindigt. Ook bepalen de verzekeringsvoorwaarden dat de verzekering dekking biedt voor claims die tijdens de looptijd bij VvAA zijn gemeld. [bedrijfsnaam] (of de curator) heeft de aanspraak van [eiser] nooit bij VvAA gemeld. [bedrijfsnaam] zou dus als verzekerde ook geen aanspraak kunnen maken op polisdekking, zodat [eiser] ook VvAA niet rechtstreeks kan aanspreken.
Tijdens de mondelinge behandeling heeft [eiser] aangegeven dat zijn insteek is duidelijkheid te krijgen over de vraag of hij VvAA rechtstreeks kan aanspreken voordat op zijn andere vorderingen wordt beslist.
Kan [eiser] VvAA rechtstreeks aanspreken?
2.4.
Er kan alleen sprake zijn van een direct vorderingsrecht van [eiser] op VvAA als [bedrijfsnaam] uit hoofde van de verzekeringsovereenkomst een vorderingsrecht op VvAA zou hebben. De directe actie van artikel 7:954 lid 1 BW Pro geeft een benadeelde geen zelfstandig eigen recht maar een eigen recht dat is afgeleid van het vorderingsrecht van de verzekerde: [eiser] kan van VvAA alleen betaling vorderen van wat [bedrijfsnaam] van haar verzekeraar te vorderen heeft. [eiser] heeft met andere woorden niet meer rechten dan [bedrijfsnaam] heeft.
In dit geval heeft [bedrijfsnaam] geen vorderingsrecht op VvAA. Daarom heeft [eiser] ook geen daarvan afgeleid rechtstreeks vorderingsrecht op VvAA. [bedrijfsnaam] kan voor de claim van [eiser] namelijk geen aanspraak maken op dekking onder de beroepsaansprakelijkheidsverzekering. De beroepsaansprakelijkheidsverzekering die [bedrijfsnaam] heeft afgesloten is een zogenoemde claims made-verzekering. Er is dan alleen dekking als de melding van de claim is gedaan tijdens de looptijd van de verzekering. Dit is niet het geval. De verzekering is geëindigd op het moment dat [bedrijfsnaam] failliet is verklaard. Dat was op 13 september 2016. Voor die tijd heeft [bedrijfsnaam] bij VvAA geen melding gemaakt van een claim van [eiser] . Ook heeft de curator niet gereageerd op het aanbod van VvAA om uitloopdekking te verzekeren en evenmin in dat stadium de claim van [eiser] bij haar gemeld. De advocaat van [eiser] heeft VvAA op 8 juni 2017 aansprakelijk gesteld. Dit is na afloop van de geldigheidsduur van de verzekering. Er is dan geen dekking onder de polis: [bedrijfsnaam] zou geen rechten meer kunnen ontlenen aan haar
beroepsaansprakelijkheidsverzekering. Voor [eiser] betekent dit dat hij geen betaling kan vorderen van VvAA. De rechtbank zal de vordering van [eiser] voor recht te verklaren dat hij een rechtstreekse vordering tot betaling heeft op VvAA afwijzen. De andere vorderingen van [eiser] hoeven hierdoor niet meer besproken te worden en zullen ook worden afgewezen.
Afsluiting
2.5.
Zoals tijdens de mondelinge behandeling is aangegeven, moet de rechtbank de zaak juridisch beoordelen. Dat neemt natuurlijk niet weg, zoals ook VvAA in haar verweerschrift en tijdens de mondelinge behandeling heeft aangegeven, dat het te betreuren is dat [eiser] mogelijk door toedoen van [bedrijfsnaam] geconfronteerd is met verlies aan gezichtsvermogen.
2.6.
Omdat [eiser] geen gelijk heeft gekregen, moet hij de proceskosten van VvAA betalen. Deze kosten zijn begroot op:
  • griffierecht € 1.950,00
  • salaris advocaat

3.De beslissing

De rechtbank
3.1.
wijst de vorderingen van [eiser] af,
3.2.
veroordeelt [eiser] in de proceskosten, aan de zijde van VvAA tot op heden begroot
op € 2.872,00,
3.3.
verklaart dit vonnis wat betreft de kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mr. M.E. Heinemann en in tegenwoordigheid van mr. M.A. Rademaker, griffier, in het openbaar uitgesproken op 11 januari 2019.